Anders Zijn

Terugkijkend op mijn leven vallen puzzelstukjes op hun plaats. Dingen die vroeger onverklaarbaar waren, krijgen betekenis nu ik weet wat er biologisch en psychologisch bij mij speelt.

Thuis werd vaak tegen mij gezegd:

“Du mings ummer das ze ut schwoarste hast van gidderinge.” (Vertaald: jij meent altijd dat jij het het zwaarste hebt van iedereen.)

De laatste keer hoorde ik die uitspraak in een uitzending van L1, vlak voor mijn documentaire werd uitgezonden. Zonder mijn toestemming was een zus van mij gebeld voor commentaar. Ik moest snel reageren en gaf op dat moment het verkeerde antwoord. Ik was zó gewend geraakt aan die beschuldiging, dat ik er bijna zelf in ging geloven.
Maar het was nooit een wedstrijd in lijden. Het was een verschil in werkelijkheid.

Het tempo van mijn leven

Het leven voor iemand met het Klinefelter-syndroom is niet vanzelfsprekend eenvoudig. Veel mensen zien aan de buitenkant een “normale man”. Maar dat beeld klopt niet altijd met de binnenkant.
Ik heb altijd een lager energieniveau gehad. Chronische vermoeidheid, tragere spieropbouw, minder kracht. Toch werd mij overal gezegd dat ik sneller moest werken. Thuis. Op school. Op het werk.
Altijd te langzaam.
Nu weet ik dat ik me jarenlang heb laten opjagen voor iets waar ik biologisch gezien beperkt in was. Dat geeft frustratie — niet omdat ik anders ben, maar omdat men niet wilde begrijpen dat anders ook echt anders betekent.
Deze tekst schreef ik al in 2005. In 2016 was er in wezen weinig veranderd.

Identiteit

Ik heb me altijd vrouwelijk gevoeld. Als kind speelde ik liever met meisjes. Mijn buurmeisje was mijn beste maatje. Ik had vriendinnen om te praten, niet om seks. Gesprekken van vrouw tot vrouw — zo voelde het voor mij.
Ik val niet op mannen. Dat is ook altijd zo geweest. Dat ik testosteron kreeg toegediend, was gebaseerd op de aanname dat ik “een man was die op vrouwen valt”. Men hield geen rekening met de mogelijkheid dat ik een vrouw ben die zich aangetrokken voelt tot vrouwen.
Met andere woorden: lesbisch.
De grootste liefde van mijn leven bleek later zelf lesbisch te zijn. Dat hoorde ik pas 25 jaar nadat zij de relatie had beëindigd. Toen begreep ik waarom het niet kon werken binnen het kader waarin men mij zag.
Maar mijn gevoel klopte: ik ben een vrouw die zich aangetrokken voelt tot vrouwen.

Het verlangen

Waarom pas later de stap zetten richting lichamelijke feminisering?
Omdat ik het altijd heb gewild, maar nooit durfde.
Als kind liep ik met de bh van mijn moeder rond. Later met die van een vriendin, wanneer ik op haar huis paste. Niet uit perversie — maar uit herkenning. Het voelde als thuiskomen. Als bevrijding.
Toen ik mijn eerste eigen bh kocht en aantrok, voelde dat gelukzalig. Voor veel vrouwen is een bh een onding. Voor mij is het een symbool. Een bevestiging van wie ik ben.
Ik draag er soms één. Het is zichtbaar. Niemand heeft er ooit iets van gezegd.

Privacy en veiligheid

Op een dag stond de politie aan mijn deur vanwege een klacht van mijn buurman over mijn heg. Volgens hem was die te hoog. Volgens de regels moet gemeten worden vanaf mijn grondgebied — dat gebeurde niet.
Wat mij vooral raakte, was niet de heg. Het was het gevoel van controleverlies en intimidatie. Mijn behoefte aan privacy werd niet serieus genomen.
Ik wil in mijn eigen tuin kunnen zonnen zonder bekeken te worden. Ik wil in een zomerjurk door mijn woonkamer kunnen lopen zonder het gevoel dat iemand over mijn schouder meekijkt.
Dat verlangen naar privacy heeft niets te maken met provocatie. Het heeft te maken met veiligheid.
Daarom heb ik rolluiken laten plaatsen. Niet om me af te sluiten van de wereld, maar om me veilig te voelen in mijn eigen huis.
Op 23 januari 2008 kreeg ik een andere hond. Mijn vorige hond, Benji, was gecastreerd. Deze nieuwe hond niet.
Het verschil merkte ik meteen.
Hij was minder aanhankelijk. Luisterde slechter. Moest altijd aangelijnd worden als er loopse teefjes in de buurt waren. At zijn bak niet leeg. En onderweg eten? Nooit.
Op 31 maart 2009 kreeg hij problemen met ontlasting. Dat had hij vaker gehad, dus ik ging naar de dierenarts. Tijdens het onderzoek van zijn prostaat vroeg ze hoe oud hij was.
“Zes jaar,” zei ik, “maar ik heb het idee dat hij ouder is.”
Hij bleek inderdaad ouder te zijn, afgaande op de grootte van zijn prostaat. De dierenarts adviseerde castratie. Binnen een jaar zou het anders toch moeten gebeuren.
Op 1 april verloor Fuchur zijn “bril”.

Gedrag na castratie

Het verschil was duidelijk.
Hij loopt nog steeds naar teefjes, maar minder obsessief. Als ik hem roep, komt hij terug. Hij eet zijn bak leeg. Ik kon hem zelfs minder voeren, omdat hij niets meer liet staan.
Dat zette me aan het denken.

Wat heeft dat met mij te maken?

Alles.
In 2002 ontdekte ik dat ik het
Klinefelter-syndroom heb. In mei 2003 kreeg ik mijn eerste testosteronsuppletie.
Ik woog toen 123 kilo. Binnen een half jaar zat ik op 80 kilo.
Testosteron doet iets met je stofwisseling. Of je verbrandt meer, of je hebt minder honger, of je beweegt meer — waarschijnlijk is het een combinatie.
Omdat ik een mozaïekvorm heb, produceer ik zelf ook testosteron. Rond de 17 nmol/L. In het begin zat ik met suppletie zelfs op 30,4. Ter vergelijking: een gezonde jongen van 18 zit rond de 27,2.
Dat is hoog voor iemand van 51.
Maar wanneer je kunstmatig testosteron toevoegt, vermindert je eigen productie. De spiegel daalt weer. Ik merkte dat ook. Mijn waarden zakten zelfs tot 9.
Ook de plek van aanbrengen maakte verschil. Smeren op de buik gaf lagere waarden dan smeren op de schouders. Toen ik weer alleen op mijn schouders smeerde, steeg de waarde opnieuw.
Of ik opnieuw zal afvallen, moet blijken. Mijn FT4-waarde was verhoogd, wat wijst op een actievere schildklier. Ook dat speelt mee.

Biologie is geen mening

Ik vergelijk het met voeding.
Als je lichaam gewend is zelf bepaalde eiwitten aan te maken, reageert het anders wanneer je plotseling veel dierlijk eiwit gaat eten. Het lichaam past zich aan. Productie stopt of verandert.
Zo werkt het ook met hormonen.
Het lichaam is geen ideologie. Het volgt biologie.

Wat ik leer van mijn hond

Door Fuchur zie ik hoe sterk hormonen gedrag beïnvloeden.
Dieren volgen hun instinct. Ze rationaliseren niet. Ze worden niet opgejaagd door verwachtingen van buitenaf. Ze zijn wat ze zijn.
Misschien zouden wij mensen meer naar dieren moeten kijken om onszelf te begrijpen.
En misschien is het geen gekke vraag om te onderzoeken of overgewicht vaker samenhangt met lage testosteronwaarden. Het lijkt me in elk geval geen onlogische gedachte.





Ik ben al enige tijd bezig met filmen. Dat begon eigenlijk met mijn vader.
Hij kocht ooit een videocamera. In 1984 was er een reünie van de familie Delahaye en ik nam, tegen zijn lichte bezwaar in, die camera mee. Ik had nog nooit zo’n ding echt gebruikt, maar blijkbaar had ik er gevoel voor.

Achteraf vond mijn vader het geweldig dat ik gefilmd had.

Later kwam een oom de opnames bekijken. Hij zat huilend voor de televisie. Dat moment maakte indruk op me. Blijkbaar kon ik met beelden iets raken wat woorden niet konden.
In datzelfde jaar, op 7 november 1984, filmde ik de geboorte van Ingvarr, de zoon van toenmalige vrienden. Voor iemand die zelf geen kinderen kon krijgen, was dat een enorme eer. Dat ik daarbij mocht zijn, dat ik dat moment mocht vastleggen — dat voelde bijzonder.
Die twee gebeurtenissen waren voor mij de aanleiding om te sparen voor een eigen camera. In 1988 kocht ik een Sony 8 mm videocamera. Inmiddels ben ik aan mijn vierde camera toe, een Sony HD.
Nu ben ik de oude banden aan het digitaliseren. Dat moet ook, want ze worden slechter. Vooral de opnames die ik in LP heb gemaakt. Uit geldgebrek zette ik ze vaak op LP, zodat er meer op een bandje paste. Achteraf geen goede keuze, maar toen was het niet anders.

Mezelf terugzien

Soms sta ik zelf op die oude banden.
Als ik mezelf terugzie, denk ik: ik was best knap.
Dat had ik toen nooit gedacht.
De jarenlange vernedering thuis hadden hun werk gedaan. Maar ook het gebrek aan testosteron speelde mee. Ik voelde me geen echte jongen zoals de jongens in mijn klas — met hun brede, vierkante borstkasten.
Ik herinner me een moment in mijn jeugd. Mijn zus, een jaar of elf, liep op een warme dag met ontbloot bovenlichaam rond. Ik keek naar haar en dacht: daar lijk ik op. Dezelfde borstvorming.
Hoe kan dat nou? Ik ben toch een jongen?
Nu weet ik beter. Mijn lichaam vertelde toen al een ander verhaal.
Pas later kreeg dat een naam: het
Klinefelter-syndroom.

Jaloezie

Er zijn gebeurtenissen uit die tijd die ik toen niet begreep.
Een vriend van mij nam zijn vriendin nooit mee als ik hen uitnodigde. Later realiseerde ik me dat hij misschien bang was dat zij op mij verliefd zou worden. Of dat ik haar zou “inpikken”.
Ironisch genoeg had ik in die tijd juist een gebrek aan libido. Het jachtinstinct ontbrak. Als een vrouw geen initiatief nam, gebeurde er niets. Niet omdat ik niet wilde, maar omdat de drang ontbrak.
Hun relatie liep stuk. Ik ben nog steeds bevriend met haar.
In 1989 werd ik uitgenodigd voor een etentje door twee vrouwen. Ik had voor een van hen de auto gerepareerd. Ze zei dat er verder niemand zou komen. Ik verheugde me op een gezellige avond.
Net toen we aan tafel wilden gaan, ging de bel. Haar ex kwam binnen. Hij had via via gehoord dat ik daar zou zijn.
Toen begreep ik het niet. Nu wel.
Mannen die mij als gevaar zagen.
Misschien zegt dat meer over hun zelfbeeld dan over mij.

Zelfbeeld en hormonen

Testosteron beïnvloedt gedrag. Dat zie ik bij mezelf. Dat zag ik bij mijn hond. En ik zie het bij mannen om me heen.
Maar zelfbeeld speelt net zo’n grote rol.
Als je jezelf niet zeker voelt, zie je sneller concurrentie. Misschien was ik voor sommigen een bedreiging, juist omdat ik anders was.
Mijn zelfbeeld is nu sterker dan toen. Had ik dat vroeger gehad, dan was mijn leven misschien anders gelopen.
Maar misschien ook niet.
Want één ding was altijd al hetzelfde: ik keek. ik observeerde. ik legde vast.
Misschien was dat mijn manier van bestaan. Terwijl anderen leefden in competitie, leefde ik in beelden.
Onlangs sprak ik een vrouw van wie de broer ook het Klinefelter-syndroom heeft. Hij is 22 jaar.
Ze zei: “Hij is 22, maar hij ziet eruit als een jongen van 14. En zo gedraagt hij zich ook.”
Mijn antwoord was onmiddellijk: “Zo ben ik ook geweest.”
Dat kleine gesprek liet een puzzelstukje op zijn plaats vallen.

Het gezicht van 21


Ik dook mijn fotoalbum in en vond een foto van mezelf, 21 jaar oud.
Ik zie eruit als een jongen van dertien, veertien. Geen baardgroei. Geen mannelijke uitstraling.
Normaal begint een jongen rond zijn twaalfde, dertiende aan de puberteit. Het lichaam produceert meer testosteron. Spieren ontwikkelen zich. De stem verandert. De houding verandert.
Maar bij iemand met Klinefelter gebeurt dat niet vanzelf. Het lichaam groeit wel, maar mist de hormonale impuls die de echte omslag maakt.
Testosteron is niet alleen voor baardgroei of spierontwikkeling. Het beïnvloedt ook emotie, agressie, initiatief, jachtinstinct — de manier waarop je je verhoudt tot de wereld.
Als die impuls uitblijft, sta je stil.
Je ziet je leeftijdgenoten volwassen worden. Bij jezelf blijft het uit.

Niet serieus genomen

Ik werd nooit echt serieus genomen door mijn broer en zussen. Dat moest een oorzaak hebben.
Nu begrijp ik het beter.
Als jij er jong uitziet en je ook jonger gedraagt — niet uit onwil, maar uit biologische vertraging — dan reageert de omgeving daarop. Men ergert zich aan je “onvolwassenheid”.
Maar niemand vroeg: waar komt dat vandaan?
Of misschien wist men het en zweeg men.
In een gezin van zeven kinderen kun je dan vereenzamen. Niet omdat je alleen bent, maar omdat niemand je ontwikkeling begrijpt.

School en compensatie

Na de lagere school ging ik naar de MULO. Nieuwe omgeving, niemand die ik kende. Aanpassen was altijd moeilijk voor mij. Ik bleef het eerste jaar zitten.
Later kwam ik op de ambachtsschool terecht. Daar zat ik, qua leeftijd, boven mijn klasgenoten. Voor het eerst was ik in jaren niet de jongste.
Volwassen was ik nog niet. Maar ik kon het compenseren met intelligentie.
Daar voelde ik me op mijn plek. Daar werd ik niet voortdurend de mond gesnoerd zoals thuis.
Mijn klasgenoten gingen uit. Achter de vrouwen aan. Dat deed ik niet.
Op maandagochtend vertelde iedereen over zijn weekend. Ik luisterde. Of praatte wat mee.
Niemand maakte me belachelijk. En eerlijk gezegd: jongens van de LTS, VMBO, ambachtsschool waren vaak tactischer dan hoogopgeleide mensen. Titels zeggen niets over empathie.

Wanneer word je volwassen?

Als je 22 of 23 bent, begin je ongeveer in de pas te lopen met mensen die tien jaar jonger zijn.
Bij mij kwam de echte volwassenheid rond mijn 33ste. Toen ging ik op mezelf wonen.
Mijn vrienden waren vaak negen jaar jonger dan ik. Mijn eerste seksuele ervaring was met een vrouw die negen jaar jonger was. Mijn muziek komt vooral uit de jaren tachtig.
Ik liep — en misschien loop ik nog steeds — negen à tien jaar achter.
In gedrag en uitstraling voel ik me 44. Op papier ben ik 54.
Sommigen zouden zeggen: wat een luxe. Jong blijven.
Maar het is niet alleen maar een voordeel.
Ik kijk op tegen mensen van mijn eigen leeftijd. Ze voelen ouder. Ervaren. Gevestigd.
Bij mensen die werkelijk tien jaar jonger zijn, voel ik me vaak meer op mijn gemak. Maar zij zijn opgegroeid in een andere tijd.

Familie en beeldvorming

Ook als je eenmaal volwassen wordt, blijft je directe omgeving je vaak behandelen zoals ze je ooit leerden kennen.
Voor hen blijf je het kind.
Het “debieltje”, zoals men impliciet dacht — want een syndroom betekent in hun ogen geestelijke beperking.
Wanneer de verhoudingen zich omdraaien en jij wél volwassen wordt, kan dat confronterend zijn. Dan zie je ineens hun gedrag scherper.
En soms neem je afstand.

Conclusie

Aan ouders, broers en zussen van iemand met Klinefelter zou ik willen zeggen:
Pas je aan.
Erger je niet aan wat je ziet als onvolwassenheid. De volwassenheid komt. Misschien later. Misschien anders.
Maar ze komt.
En wanneer het zover is, behandel hem of haar dan ook als volwassene.
Hou er rekening mee dat iemand altijd tien jaar achter kan lopen — niet uit onwil, maar uit biologie.
Het doet me denken aan de film
Die Blechtrommel. Een jongen die niet verder groeit, terwijl de wereld om hem heen dat wel doet.
Alleen koos hij ervoor.
Ik niet.
Als kind zat ik vaak op het stoepje voor ons huis in de Maarstraat in Terwinselen.
Daar zat ik te kletsen met buurtgenoten, meestal met mijn buurmeisje. Of ik zat er gewoon te slapen in de zon.
Voetballen deed ik wel eens, maar het lag me niet echt. Rolschaatsen en fietsen vond ik leuker. Toch zat ik tachtig procent van de tijd op dat stoepje.
Nu begrijp ik waarom.
Ik had al vroeg een energieprobleem.
Hoe vaak heb ik niet gehoord: “Vincent, schiet eens wat op.”
Op mijn rapport stond: “Vincent moet sneller leren werken.”
En op elke werkplek waar ik later werkte, was ik te langzaam.
Ik probeerde het te compenseren met trucjes. Soms lukte dat. Meestal niet. Dan probeerde ik het tempo van anderen bij te houden — met alle gevolgen van dien.
Zenuwinzinkingen. Overspannenheid. Burn-outs.
Nu weet ik waar het vandaan komt: het
Klinefelter-syndroom en de chronische vermoeidheid die daar vaak bij hoort.

Mijn dag

Tegenwoordig probeer ik in mijn eigen tempo te leven.
Dat levert spanningen op met mensen die mij anders gekend hebben. Of die mij met zichzelf vergelijken.

Mijn dag ziet er ongeveer zo uit:

’s Morgens sta ik op. Ik kijk mijn mails na. Ik roei een paar kilometer. Ik douche, smeer mijn gel, kleed me aan. Ik ga met de hond wandelen. Daarna ontbijt ik.

En dan moet ik rusten.

Soms een uur. Soms twee. Op slechte dagen vier.
Waarom er goede en slechte dagen zijn, weet ik niet. Ik kan nooit voorspellen hoe ik me zal voelen.
Boodschappen doen of huishoudelijk werk zijn vaak de moeilijkste dagen. Je weet dat het moet, maar je weet niet of je lichaam meewerkt.
’s Middags val ik altijd in slaap. Anderhalf uur. Dat is nodig om de avond door te komen.
Als mensen op bezoek komen en iets laten liggen, kost het me veel energie om het op te ruimen. Soms blijft het liggen tot ik weer genoeg kracht heb.
Als ik ergens naartoe moet, roei ik ’s morgens niet. Dan moet ik energie sparen.
Ik rijd geen auto meer. Ik ben meerdere keren bijna achter het stuur in slaap gevallen. Dat risico neem ik niet meer.
Een boek lezen of een stuk schrijven kost handenvol energie. Over dit stukje tekst doe ik twee uur.

Onbegrip

Het moeilijkste is niet de vermoeidheid zelf.
Het moeilijkste is dat mensen het niet begrijpen.
Ze vergelijken je met zichzelf. Zij kunnen duizend dingen op een dag doen. Dus verwachten ze dat jij dat ook kunt.
“Ik ben toch nog in de kracht van mijn leven?”
Zo lijkt het misschien. Maar niets is minder waar.
Niet elke persoon met Klinefelter heeft dit probleem. Maar veel wel.
Daarom is het zo belangrijk dat mensen weten wat het
Klinefelter-syndroom kan betekenen. En dat degene die het heeft, het ook durft te benoemen.
Zodat er rekening mee gehouden kan worden.
Dat hoop ik tenminste.

Het stoepje

Misschien was dat stoepje vroeger geen luiheid.
Misschien was het mijn manier om te overleven.
Rust pakken in een wereld die te snel ging.
En eigenlijk doe ik nu nog hetzelfde.
Alleen heet het nu geen stoepje meer.

De positie die je inneemt in een gezin wordt door veel factoren bepaald. Gezondheid speelt een rol. Intelligentie ook. De manier waarop ouders hun kinderen behandelen. Maar er is nog een factor waar ik vroeger nooit bij had stilgestaan: de plaats waar je slaapt in huis.
De grootste tijd die je thuis doorbrengt, breng je uiteindelijk door op je slaapkamer. Tenminste, zo was dat bij ons.
Mijn kamer was klein. Ongeveer 1,90 bij 1,90 meter. Daarvoor sliep ik samen met mijn broer op een grotere kamer, waar gemakkelijk een tweepersoonsbed en een kast konden staan. Maar het ging niet goed tussen ons. Onze karakters verschilden te veel.
Als er ruzie was, kreeg ik altijd de schuld. Mijn vader zei dan: “Jij bent de oudste, dus jij moet de verstandigste zijn.”

Dat was zijn idee van rechtvaardigheid.

Hij predikte vaak gelijkheid, maar in de praktijk was die er niet. De jongste was zijn oogappel. Waarom dat zo was, weet ik niet. Misschien omdat hij zelf ook de jongste thuis was geweest. Misschien omdat hij hem zelf “op de wereld had gezet”. Of misschien omdat hij wist dat ik het
Klinefelter-syndroom had en daar onbewust zijn frustraties op mij afreageerde.
Op een dag werd besloten dat mijn broer en ik uit elkaar moesten.
Logischerwijs had ik de grotere kamer kunnen krijgen. Maar dat gebeurde niet.
Ik kreeg het kleine kamertje aan de voorkant van het huis.
Misschien heb ik daar zelf voor gekozen. Het lag op het zuiden en had twee ramen: één aan de voorkant en één aan de zijkant. Vanuit dat raam kon ik de straat zien. Daar gebeurde het leven.
Ik hield van de zon. Nog steeds.
Aan de achterkant keek je uit over de velden. Daar werkte de boer op zijn land. Ook dat had iets moois.
Waarom het precies zo gegaan is, weet ik niet meer.

De indeling van het huis

Naast mijn kamer sliepen mijn ouders.
Aan de achterkant sliep mijn broer. Daarnaast lag de grootste kamer van de verdieping, waar drie zussen sliepen.
Op zolder sliepen mijn twee oudste zussen. Mijn vader had die zolderkamer samen met mij ingericht als slaapkamer.
Die verdeling heeft misschien meer betekend dan we toen dachten.
De twee oudste sliepen letterlijk boven ons. En tot op de dag van vandaag lijken ze ook te denken dat ze boven de rest staan.
De drie andere zussen vormden een blok. Ze overlegden samen. Als hun meningen verdeeld waren, werd mijn broer erbij gehaald. Hij hoorde duidelijk bij hun groep.

Zo werden beslissingen genomen.

Als er bijvoorbeeld een cadeau voor mijn ouders gekocht moest worden, bespraken de drie jongste zussen dat eerst samen. De twee oudste deden soms een voorstel, maar de goedkeuring lag bij het blok van drie.
Mijn broer laveerde daar ergens tussenin. Hij vermeed conflicten.
En ik?
Bij mij kwamen ze nooit.
Om bij mijn kamer te komen moesten ze langs de slaapkamer van mijn ouders. En meisjes mochten niet bij jongens op de kamer, en andersom ook niet.
Vanaf een jaar of elf kwam daar nog iets bij: mijn geboorteafwijking. In hun ogen bevestigde dat waarschijnlijk het beeld dat ik “anders” was.
Het gevolg was dat ik thuis nooit echt een stem had.
Wanneer er beslissingen werden genomen waar ik wel bij zat, werd ik vaak belachelijk gemaakt. In de meeste gevallen werd ik gewoon weggestuurd.
Voor het laatst gebeurde dat op 8 maart 2002.
Zelfs toen later artikelen over mij verschenen in landelijke en regionale kranten, kwam niemand uit mijn familie naar mij toe om erover te praten. Ze gingen liever naar de journalist.
Het leek alsof ze nog steeds niet voorbij die slaapkamer van mijn ouders konden komen. Alsof de angst voor hun reactie nog altijd aanwezig was.

Terug naar het huis

Onlangs was ik weer in het huis in de Maarstraat waar ik de eerste veertien jaar van mijn leven heb gewoond.
Dat zijn de jaren die een mens vormen.
Ik vroeg me af: wat zou er gebeurd zijn als mijn ouders op zolder hadden geslapen en de twee oudste zussen op de kamer van mijn ouders?
Zou de dynamiek dan anders zijn geweest?
Ik denk van wel.
Maar dat blijft speculatie.
Misschien is het voer voor psychologen.
Hoogbegaafd.

Ja, dat ben ik.

In 1985 zat het ABP met mij in de maag. De psycholoog die mij had gekeurd, had mij eigenlijk goedgekeurd voor werk, maar stelde voor om mij voor 15% af te keuren. Daarmee zou het ABP verplicht zijn mij te helpen aan passend werk.
Ik ging akkoord met die regeling.
Als begeleider kreeg ik een man toegewezen, Offermans. Hij had veel plannen en beloften, maar uiteindelijk kwam er weinig van terecht. Dat is niet eens altijd kwade wil; bij ambtenaren blijft het soms bij goede bedoelingen.
In dat traject moest ik ook een beroepskeuzetest doen. Uit die test kwam een IQ van 130.
Volgens de gebruikelijke indeling betekent dat: hoogbegaafd.
In 2019 heb ik opnieuw een test gedaan, dit keer bij het
Maastricht UMC+. Daar kwam een score van 140 uit. Dat verschil met 1985 kan goed verklaard worden door de omstandigheden waarin ik toen verkeerde.
Kort gezegd: ik ben een intelligent mens.

Anders denken

In ons gezin waren meerdere kinderen slim. Toch heb ik vaak het gevoel gehad dat mijn manier van denken anders was.
Ik kon problemen op een andere manier bekijken. Ik raakte minder snel in paniek. Ik zocht automatisch naar een oplossing.
Een gebeurtenis uit mijn jeugd staat me nog helder voor de geest.
De ochtendjas van mijn moeder vatte vlam. Ze stond letterlijk in brand.
Mijn zussen raakten volledig in paniek en begonnen te gillen. Ik niet. Ik wist meteen wat ik moest doen. Eerst probeerde ik de vlammen met mijn handen uit te slaan. Toen dat niet goed lukte, wierp ik me op haar om de vlammen te smoren.
Ik huilde wel — het bleef een angstige situatie — maar tegelijkertijd was ik al bezig met de oplossing.
Dat is hoe mijn hoofd werkt.

Slim zijn om te overleven

Ik was lichamelijk niet sterk. Dat had onder andere te maken met het Klinefelter-syndroom. Spieren waren zwakker, energie was beperkter.
Maar het oude spreekwoord bleek voor mij waar:
Wie niet sterk is, moet slim zijn.
Mijn intelligentie werd mijn manier om me staande te houden.
Niet door harder te werken dan anderen — dat kon ik vaak niet — maar door anders te denken.
Door oplossingen te zoeken.
Door verbanden te zien die anderen niet zagen.