- De Vakantie
- Trauma
- Hélène
- Kermis
- tab 5
- tab 6
- tab 7
- tab 8
- tab 9
- tab 10
- tab 11
- tab 12
- tab 13
- tab 14
- tab 15
- tab 16
- tab 17
- tab 18
- tab 19
- tab 20
Vakantie
Ik ben geboren in de Maarstraat in Terwinselen. In die tijd hoorde het deel waar wij woonden bij Kerkrade. Het dorp was verdeeld over drie gemeenten. Pas in 1981 werd Terwinselen volledig bij Kerkrade gevoegd.
De Maarstraat was een kinderrijke straat. De huizen waren gebouwd in 1948 — in wat een bloedhete zomer moet zijn geweest, want ze zaten niet best in elkaar. Grote gezinnen waren toen normaal, al waren zeven kinderen zelfs toen geen vanzelfsprekendheid.
Augustus
Augustus was onze vakantiemaand.
Mijn vader had meestal één week vrij. Dan trok het hele gezin eropuit — op de fiets. Geld voor echte vakanties was er niet. Maar dat vond ik niet erg. We woonden tenslotte in wat ik nog steeds de mooiste provincie van Nederland vind.
Een vaste bestemming was de Gronselerput bij Schin op Geul.
Alleen al de fietstocht was een belevenis. Van Terwinselen naar Ubachsberg, langs het Imstenraderbos. Die weg kende ik goed — daar woonde mijn Pete-tante. Via Wittem naar Schin op Geul, bij het bruggetje over de Geul linksaf richting Keutenberg, en vlak daarvoor een smal pad in. Stapvoets. Tot we bij de bron kwamen.
De Gronselerput was een plek van helder, ijskoud water. Na zo’n lange rit was dat drinken pure zaligheid.
De Geul maakte daar een scherpe bocht. Het water stroomde sneller, maar het was ondiep genoeg om erdoorheen te lopen. Ik stond daar uren in het water dammen te bouwen. Het gevecht met de stroom fascineerde me. Het water zien stijgen. De spanning van de doorbraak. Alleen zijn met de elementen.
Daar genoot ik intens van.
Tegen vier uur ’s middags gingen we weer naar huis. Meestal was ik als eerste thuis. Vanaf het Mooiste Punt bij Simpelveld ging het bergafwaarts. Ik vloog als het ware naar beneden. Fietsen was mijn kracht. Ik was mager, maar groot. Ik werd zelfs een keer straatkampioen.
De wond
Tijdens zo’n dag in de Geul liep ik een wond op aan mijn scheenbeen. Die wilde maar niet genezen. Pas na drie kwart jaar viel het mijn ouders op dat ik daar nog steeds een zweer had. Tegen de tijd dat ik naar een dokter ging, zat de wond bijna tot op het bot.
Vier maanden later was het eindelijk genezen. Het litteken draag ik nog steeds.
Ik vraag me vaak af waarom het bij mij altijd zo lang duurde voordat er werd ingegrepen als het om mijn gezondheid ging.
Andere dagen
We gingen ook naar het Benzerraderbos. Daar was een diepe kuil waarin we de wanden beklommen alsof het bergen waren. Nu, als ik er kom, lijkt alles klein.
De speeltuin op de Molenberg was een hoogtepunt. Mijn zus brak er eens haar arm op de kabelbaan. Ik durfde daar niet op. Die speeltuin bestaat nog steeds — maar in mijn herinnering was hij drie keer zo groot.
Soms gingen we naar Schaesberg, naar een grindgat bij het spoor. Af en toe liepen we dan door naar mijn oom en tante die daar in de buurt woonden.
En één keer — dat was groots — gingen we naar de Efteling.
Voor zulke uitstapjes werd mijn Pete-oom ingeschakeld. Mijn vader had geen rijbewijs. Mijn oom bestuurde het gehuurde busje.
Dat was voor mij dubbel feest.
Niet alleen de Efteling, maar ik mocht naast hem voorin zitten. Mee het busje ophalen en terugbrengen. Ik stond even in het middelpunt. Thuis gebeurde dat zelden. Het waren vaak mensen van buitenaf die mij dat gevoel gaven.
Het stoepje
Na die ene week moest de rest van de vakantie worden “uitgezeten”.
Driekwart van de tijd deed ik niets. Of zo leek het. Ik zat op het stoepje voor ons huis, dat op het zuiden lag. Uren in de zon. Vaak kwam de halve straat erbij zitten. Het was onze hangplek.
Tot ergernis van mijn moeder.
Als de bakker aanbelde en zij de deur opendeed, zei ze steevast: “Zit je weer je tijd te verdoen?”
Ik vond van niet.
Ik had simpelweg de energie niet om meer te doen. Ik moest bijkomen van die ene intensieve week. Nu begrijp ik waarom. Als iemand met het Klinefelter-syndroom had ik een kleiner motortje. Snel moe. Snel overprikkeld.
Dat stoepje was mijn plek. Mijn vrijheid. Mijn rust.
Soms verlang ik nog naar dat stoepje van vroeger.
Ik ben geboren in de Maarstraat in Terwinselen. In die tijd hoorde het deel waar wij woonden bij Kerkrade. Het dorp was verdeeld over drie gemeenten. Pas in 1981 werd Terwinselen volledig bij Kerkrade gevoegd.
De Maarstraat was een kinderrijke straat. De huizen waren gebouwd in 1948 — in wat een bloedhete zomer moet zijn geweest, want ze zaten niet best in elkaar. Grote gezinnen waren toen normaal, al waren zeven kinderen zelfs toen geen vanzelfsprekendheid.
Augustus
Augustus was onze vakantiemaand.
Mijn vader had meestal één week vrij. Dan trok het hele gezin eropuit — op de fiets. Geld voor echte vakanties was er niet. Maar dat vond ik niet erg. We woonden tenslotte in wat ik nog steeds de mooiste provincie van Nederland vind.
Een vaste bestemming was de Gronselerput bij Schin op Geul.
Alleen al de fietstocht was een belevenis. Van Terwinselen naar Ubachsberg, langs het Imstenraderbos. Die weg kende ik goed — daar woonde mijn Pete-tante. Via Wittem naar Schin op Geul, bij het bruggetje over de Geul linksaf richting Keutenberg, en vlak daarvoor een smal pad in. Stapvoets. Tot we bij de bron kwamen.
De Gronselerput was een plek van helder, ijskoud water. Na zo’n lange rit was dat drinken pure zaligheid.
De Geul maakte daar een scherpe bocht. Het water stroomde sneller, maar het was ondiep genoeg om erdoorheen te lopen. Ik stond daar uren in het water dammen te bouwen. Het gevecht met de stroom fascineerde me. Het water zien stijgen. De spanning van de doorbraak. Alleen zijn met de elementen.
Daar genoot ik intens van.
Tegen vier uur ’s middags gingen we weer naar huis. Meestal was ik als eerste thuis. Vanaf het Mooiste Punt bij Simpelveld ging het bergafwaarts. Ik vloog als het ware naar beneden. Fietsen was mijn kracht. Ik was mager, maar groot. Ik werd zelfs een keer straatkampioen.
De wond
Tijdens zo’n dag in de Geul liep ik een wond op aan mijn scheenbeen. Die wilde maar niet genezen. Pas na drie kwart jaar viel het mijn ouders op dat ik daar nog steeds een zweer had. Tegen de tijd dat ik naar een dokter ging, zat de wond bijna tot op het bot.
Vier maanden later was het eindelijk genezen. Het litteken draag ik nog steeds.
Ik vraag me vaak af waarom het bij mij altijd zo lang duurde voordat er werd ingegrepen als het om mijn gezondheid ging.
Andere dagen
We gingen ook naar het Benzerraderbos. Daar was een diepe kuil waarin we de wanden beklommen alsof het bergen waren. Nu, als ik er kom, lijkt alles klein.
De speeltuin op de Molenberg was een hoogtepunt. Mijn zus brak er eens haar arm op de kabelbaan. Ik durfde daar niet op. Die speeltuin bestaat nog steeds — maar in mijn herinnering was hij drie keer zo groot.
Soms gingen we naar Schaesberg, naar een grindgat bij het spoor. Af en toe liepen we dan door naar mijn oom en tante die daar in de buurt woonden.
En één keer — dat was groots — gingen we naar de Efteling.
Voor zulke uitstapjes werd mijn Pete-oom ingeschakeld. Mijn vader had geen rijbewijs. Mijn oom bestuurde het gehuurde busje.
Dat was voor mij dubbel feest.
Niet alleen de Efteling, maar ik mocht naast hem voorin zitten. Mee het busje ophalen en terugbrengen. Ik stond even in het middelpunt. Thuis gebeurde dat zelden. Het waren vaak mensen van buitenaf die mij dat gevoel gaven.
Het stoepje
Na die ene week moest de rest van de vakantie worden “uitgezeten”.
Driekwart van de tijd deed ik niets. Of zo leek het. Ik zat op het stoepje voor ons huis, dat op het zuiden lag. Uren in de zon. Vaak kwam de halve straat erbij zitten. Het was onze hangplek.
Tot ergernis van mijn moeder.
Als de bakker aanbelde en zij de deur opendeed, zei ze steevast: “Zit je weer je tijd te verdoen?”
Ik vond van niet.
Ik had simpelweg de energie niet om meer te doen. Ik moest bijkomen van die ene intensieve week. Nu begrijp ik waarom. Als iemand met het Klinefelter-syndroom had ik een kleiner motortje. Snel moe. Snel overprikkeld.
Dat stoepje was mijn plek. Mijn vrijheid. Mijn rust.
Soms verlang ik nog naar dat stoepje van vroeger.
Trauma
Als je mijn verhalen leest, zou je kunnen denken dat ik vol zit met trauma’s.
Dat is niet zo. Ik ontken niet dat ze er zijn — maar ik ben niet alleen mijn trauma’s.
Er is er één die ik wel wil benoemen. Misschien herkennen anderen — met het Klinefelter-syndroom of zonder — zich erin.
Wanneer ik ergens naartoe moet, of zelfs maar een winkel in wil gaan, krijg ik plotseling de drang om naar het toilet te moeten. Ook al ben ik twee minuten daarvoor nog geweest. Als ik alleen thuis ben, kan ik drie of vier keer achter elkaar gaan. Het komt zelfs voor dat ik onderweg ben en terug naar huis rijd om naar het toilet te gaan.
Het is een tik. Maar een tik komt ergens vandaan.
De oorsprong
Ik heb altijd een kleine blaas gehad. Of dat met Klinefelter te maken heeft weet ik niet, maar het zou kunnen. Als kind heb ik tot mijn twaalfde in bed geplast.
Thuis werd dat niet getolereerd.
Ik was de enige van de zeven kinderen met dit probleem. Wanneer het gebeurde, probeerde ik ’s nachts de plek zelf droog te krijgen. Ik rolde me op, ging erop liggen, hoopte dat mijn lichaamswarmte het zou doen verdwijnen. ’s Morgens probeerde ik zo snel mogelijk naar school te vertrekken, in de hoop dat mijn moeder niets zou merken.
Dat was een illusie.
Als ze het ontdekte, volgde een scheldpartij en een pak slaag. Er werd niet gezocht naar een oorzaak. Er werd niet gedacht aan onderzoek.
Het werd uitgelegd als luiheid.
Als een van mijn zussen het ontdekte, was het nog erger. Dan kwam er naast het slaan ook hoongelach bij. Het voelde soms alsof mijn vernedering hun vermaak was.
De VIVO-winkel
Mijn oma had een VIVO-winkel. Elke maandag bracht ik reclamefolders rond in onze straat — zo’n honderd huizen. Ik kreeg er een kwartje voor en een zak snoep.
Het kwartje mocht ik houden. Het snoep niet. Dat was voor mijn zussen.
Soms at ik het toch op. Uit honger of gewoon omdat ik het zelf verdiend had.
Dan werd mijn mond hardhandig gecontroleerd. Aan mijn tong of tanden kon men zien of ik gelogen had. Daarna volgde opnieuw slaan. Soms kreeg ik geen eten en moest ik vroeg naar bed.
Dat laatste vond ik niet eens erg. In bed kon ik tenminste geen slaag krijgen.
Op straat
Tijdens het rondbrengen gebeurde het ook dat ik mijn broek nat maakte. Het kwam plotseling. Een boom opzoeken mocht niet — dat was “niet netjes”. Dus vaak was er geen keuze.
Thuis betekende het opnieuw woede. Woede werd regen. En regen betekende slaag.
Nu
Vandaag de dag slaat niemand mij meer.
Maar trauma werkt anders dan logica.
Wanneer ik het huis verlaat, keert dat gevoel terug. De angst voor vernedering. De angst voor straf. De angst voor controleverlies.
Mijn lichaam reageert nog steeds alsof ik dat kind ben dat geen fout mocht maken.
En zo wordt een kleine blaas een groot verhaal.
Als je mijn verhalen leest, zou je kunnen denken dat ik vol zit met trauma’s.
Dat is niet zo. Ik ontken niet dat ze er zijn — maar ik ben niet alleen mijn trauma’s.
Er is er één die ik wel wil benoemen. Misschien herkennen anderen — met het Klinefelter-syndroom of zonder — zich erin.
Wanneer ik ergens naartoe moet, of zelfs maar een winkel in wil gaan, krijg ik plotseling de drang om naar het toilet te moeten. Ook al ben ik twee minuten daarvoor nog geweest. Als ik alleen thuis ben, kan ik drie of vier keer achter elkaar gaan. Het komt zelfs voor dat ik onderweg ben en terug naar huis rijd om naar het toilet te gaan.
Het is een tik. Maar een tik komt ergens vandaan.
De oorsprong
Ik heb altijd een kleine blaas gehad. Of dat met Klinefelter te maken heeft weet ik niet, maar het zou kunnen. Als kind heb ik tot mijn twaalfde in bed geplast.
Thuis werd dat niet getolereerd.
Ik was de enige van de zeven kinderen met dit probleem. Wanneer het gebeurde, probeerde ik ’s nachts de plek zelf droog te krijgen. Ik rolde me op, ging erop liggen, hoopte dat mijn lichaamswarmte het zou doen verdwijnen. ’s Morgens probeerde ik zo snel mogelijk naar school te vertrekken, in de hoop dat mijn moeder niets zou merken.
Dat was een illusie.
Als ze het ontdekte, volgde een scheldpartij en een pak slaag. Er werd niet gezocht naar een oorzaak. Er werd niet gedacht aan onderzoek.
Het werd uitgelegd als luiheid.
Als een van mijn zussen het ontdekte, was het nog erger. Dan kwam er naast het slaan ook hoongelach bij. Het voelde soms alsof mijn vernedering hun vermaak was.
De VIVO-winkel
Mijn oma had een VIVO-winkel. Elke maandag bracht ik reclamefolders rond in onze straat — zo’n honderd huizen. Ik kreeg er een kwartje voor en een zak snoep.
Het kwartje mocht ik houden. Het snoep niet. Dat was voor mijn zussen.
Soms at ik het toch op. Uit honger of gewoon omdat ik het zelf verdiend had.
Dan werd mijn mond hardhandig gecontroleerd. Aan mijn tong of tanden kon men zien of ik gelogen had. Daarna volgde opnieuw slaan. Soms kreeg ik geen eten en moest ik vroeg naar bed.
Dat laatste vond ik niet eens erg. In bed kon ik tenminste geen slaag krijgen.
Op straat
Tijdens het rondbrengen gebeurde het ook dat ik mijn broek nat maakte. Het kwam plotseling. Een boom opzoeken mocht niet — dat was “niet netjes”. Dus vaak was er geen keuze.
Thuis betekende het opnieuw woede. Woede werd regen. En regen betekende slaag.
Nu
Vandaag de dag slaat niemand mij meer.
Maar trauma werkt anders dan logica.
Wanneer ik het huis verlaat, keert dat gevoel terug. De angst voor vernedering. De angst voor straf. De angst voor controleverlies.
Mijn lichaam reageert nog steeds alsof ik dat kind ben dat geen fout mocht maken.
En zo wordt een kleine blaas een groot verhaal.
Hélène
Vanmorgen hoorde ik weer het liedje Hélène op de radio. Telkens wanneer ik dat hoor, denk ik aan haar.
Hélène overleed op 3 oktober 1992. De dag van de Bijlmerramp. Een datum die ik nooit meer vergeet — in dubbele zin.
Hoe het begon
Ik leerde Hélène kennen in 1990, tijdens een ziekenhuisbezoek aan een vriendin van mij, Monique, die na een ongeluk was opgenomen. Hélène was daar ook.
Na het bezoek raakten we aan de praat en dronken we samen een kop thee in het café tegenover het ziekenhuis. Het klikte meteen.
Ik liep met haar mee naar de bus. Zij woonde op de Heerlerbaan, ik in Kerkrade. Bij de bushalte liep ze ineens met mij mee terug naar mijn flat. Ze bleef die nacht bij mij. De volgende dag bracht ik haar naar huis. De nacht daarna bleef ik bij haar.
Zo begon het.
Een jaar samen
Hélène had ernstige astma. Toen ik haar leerde kennen slikte ze achttien tabletten per dag om te kunnen functioneren.
Ze ging hetzelfde vrijwilligerswerk doen als ik, zodat we zoveel mogelijk samen konden zijn. Het jaar dat volgde was mooi — zelfs fantastisch.
Ik hielp haar om geleidelijk van die grote hoeveelheid medicatie af te komen. En het lukte.
Ze mocht geen kinderen krijgen, omdat een zware astma-aanval tijdens een zwangerschap levensgevaarlijk kon zijn. Ik kon geen kinderen verwekken, vanwege het Klinefelter-syndroom — al wist ik dat toen nog niet.
In zekere zin leken we voor elkaar gemaakt.
De breuk
Op een dag adviseerde ik haar om, naast haar reguliere huisarts, eens een natuurarts te bezoeken — een arts die ik persoonlijk kende, maar niet als huisarts van mij.
Na twee bezoeken verbrak Hélène de relatie.
Als reden gaf ze dat haar arts dat had aangeraden.
Ik begreep het niet. Ze gaf geen verdere uitleg. Er bleef een leegte achter.
Een paar maanden later had ze een nieuwe relatie. Ze werd zwanger.
Het verlies
De zwangerschap werd haar noodlottig.
In de zesde of zevende maand kreeg ze een zware astma-aanval. Ze kwam er niet meer uit.
Op 3 oktober 1992 overleed ze.
Monique belde me die dag. Ondanks dat onze relatie al een jaar voorbij was, kwam het verlies hard aan. Het deed veel pijn.
Twee jaar later
Twee jaar daarna zat ik bij de tandarts. De assistente, die samen met Hélène een cursus zilversmeden had gevolgd, vroeg hoe het met haar ging.
Ik vertelde dat Hélène was overleden.
En ik barstte in huilen uit.
Wat bleef
De tijd met haar blijft een dierbare herinnering. Warm. Echt. Oprecht.
Soms vraag ik me af of haar arts iets heeft gezien wat ik zelf nog niet wist. Of hij haar iets heeft verteld over mij — over Klinefelter — en de mogelijke gevolgen. Misschien dacht zij dat ik haar iets belangrijks verzweeg.
Maar dat is gissen.
Ik wist het zelf niet.
Wat ik wel weet, is dat we een mooi jaar samen hadden. En dat ik haar nooit vergeten ben.
Vanmorgen hoorde ik weer het liedje Hélène op de radio. Telkens wanneer ik dat hoor, denk ik aan haar.
Hélène overleed op 3 oktober 1992. De dag van de Bijlmerramp. Een datum die ik nooit meer vergeet — in dubbele zin.
Hoe het begon
Ik leerde Hélène kennen in 1990, tijdens een ziekenhuisbezoek aan een vriendin van mij, Monique, die na een ongeluk was opgenomen. Hélène was daar ook.
Na het bezoek raakten we aan de praat en dronken we samen een kop thee in het café tegenover het ziekenhuis. Het klikte meteen.
Ik liep met haar mee naar de bus. Zij woonde op de Heerlerbaan, ik in Kerkrade. Bij de bushalte liep ze ineens met mij mee terug naar mijn flat. Ze bleef die nacht bij mij. De volgende dag bracht ik haar naar huis. De nacht daarna bleef ik bij haar.
Zo begon het.
Een jaar samen
Hélène had ernstige astma. Toen ik haar leerde kennen slikte ze achttien tabletten per dag om te kunnen functioneren.
Ze ging hetzelfde vrijwilligerswerk doen als ik, zodat we zoveel mogelijk samen konden zijn. Het jaar dat volgde was mooi — zelfs fantastisch.
Ik hielp haar om geleidelijk van die grote hoeveelheid medicatie af te komen. En het lukte.
Ze mocht geen kinderen krijgen, omdat een zware astma-aanval tijdens een zwangerschap levensgevaarlijk kon zijn. Ik kon geen kinderen verwekken, vanwege het Klinefelter-syndroom — al wist ik dat toen nog niet.
In zekere zin leken we voor elkaar gemaakt.
De breuk
Op een dag adviseerde ik haar om, naast haar reguliere huisarts, eens een natuurarts te bezoeken — een arts die ik persoonlijk kende, maar niet als huisarts van mij.
Na twee bezoeken verbrak Hélène de relatie.
Als reden gaf ze dat haar arts dat had aangeraden.
Ik begreep het niet. Ze gaf geen verdere uitleg. Er bleef een leegte achter.
Een paar maanden later had ze een nieuwe relatie. Ze werd zwanger.
Het verlies
De zwangerschap werd haar noodlottig.
In de zesde of zevende maand kreeg ze een zware astma-aanval. Ze kwam er niet meer uit.
Op 3 oktober 1992 overleed ze.
Monique belde me die dag. Ondanks dat onze relatie al een jaar voorbij was, kwam het verlies hard aan. Het deed veel pijn.
Twee jaar later
Twee jaar daarna zat ik bij de tandarts. De assistente, die samen met Hélène een cursus zilversmeden had gevolgd, vroeg hoe het met haar ging.
Ik vertelde dat Hélène was overleden.
En ik barstte in huilen uit.
Wat bleef
De tijd met haar blijft een dierbare herinnering. Warm. Echt. Oprecht.
Soms vraag ik me af of haar arts iets heeft gezien wat ik zelf nog niet wist. Of hij haar iets heeft verteld over mij — over Klinefelter — en de mogelijke gevolgen. Misschien dacht zij dat ik haar iets belangrijks verzweeg.
Maar dat is gissen.
Ik wist het zelf niet.
Wat ik wel weet, is dat we een mooi jaar samen hadden. En dat ik haar nooit vergeten ben.
Kermis
Ik zal een jaar of vijf of zes geweest zijn. In Terwinselen, het dorp waar ik geboren ben, was elk jaar kermis. Veertien dagen na Pinksteren.
We kregen dan wat extra geld en mochten naar de kermis.
Het was geen grote kermis. Geen spektakel zoals in de stad. Maar voor ons was het groots genoeg.
Er was suikerspin. Een grote snoepkraam met lange roze zure staven. Een schiettent. Een mini-reuzenrad dat nauwelijks boven de huizen uitkwam. Een grote schuitschommel waar wel twintig mensen tegelijk in konden. De rups. Een kindercarrousel. Een kettingcarrousel. En de vliegtuigjes — de grote attractie. Die gingen omhoog als je zelf aan een hendel trok.
Als je nog klein was, ging je vader mee.
Angst
Ik was een angstig kind. Ik durfde weinig. Nu weet ik dat dit mede samenhing met het Klinefelter-syndroom. Maar toen was ik gewoon “bang”.
De kindercarrousel ging nog wel — maar alleen in een schuitje. Een paard vond ik te beangstigend.
De kettingcarrousel? Onmogelijk. Te gevaarlijk, in mijn voorstelling.
Het mini-reuzenrad kon nog net. Maar als ik boven bleef hangen, greep ik de leuning vast, kneep mijn ogen dicht en hoopte dat het snel weer verder zou draaien.
De rups
De rups was mijn attractie.
De eerste keer moest ik veel angst overwinnen. Ik zat dicht tegen de binnenkant aan. Ik weet nog goed dat mijn vingertjes bekneld raakten tussen het mechanisme van de huif.
Toch bleef het mijn favoriet.
De loeiende sirenes wanneer de huif dichtging. Even afgesloten van de wereld. Even alleen. Even rust.
Al was het maar voor een halve minuut.
De vliegtuigjes
Maar de grootste attractie waren de vliegtuigjes.
Geen tien paarden kregen mij daarin.
Maar ik moest.
Mijn vader en mijn zussen pestten me net zo lang tot ik toegaf. Ze zouden de hendel niet naar achter trekken, zodat het vliegtuigje niet omhoog ging — dat beloofden ze.
Dat deden ze ook niet.
Maar het waren angstige minuten. Heel angstige minuten.
Ik was opgelucht toen ik eruit mocht.
Dat ik de hele dag werd gekleineerd en gepest, deerde me niet eens meer. Dat was het normale beeld.
Ik ben daarna nooit meer in die vliegtuigjes gegaan.
Een paar jaar later verongelukte er een jongen in diezelfde attractie. Een arm brak af.
En ergens gaf dat mij het gevoel dat mijn angst niet ongegrond was geweest.
Toch kermis
Toch ben ik elk jaar graag naar de kermis gegaan.
Niet meer in de vliegtuigjes. Maar wel in de rups.
Ik zal een jaar of vijf of zes geweest zijn. In Terwinselen, het dorp waar ik geboren ben, was elk jaar kermis. Veertien dagen na Pinksteren.
We kregen dan wat extra geld en mochten naar de kermis.
Het was geen grote kermis. Geen spektakel zoals in de stad. Maar voor ons was het groots genoeg.
Er was suikerspin. Een grote snoepkraam met lange roze zure staven. Een schiettent. Een mini-reuzenrad dat nauwelijks boven de huizen uitkwam. Een grote schuitschommel waar wel twintig mensen tegelijk in konden. De rups. Een kindercarrousel. Een kettingcarrousel. En de vliegtuigjes — de grote attractie. Die gingen omhoog als je zelf aan een hendel trok.
Als je nog klein was, ging je vader mee.
Angst
Ik was een angstig kind. Ik durfde weinig. Nu weet ik dat dit mede samenhing met het Klinefelter-syndroom. Maar toen was ik gewoon “bang”.
De kindercarrousel ging nog wel — maar alleen in een schuitje. Een paard vond ik te beangstigend.
De kettingcarrousel? Onmogelijk. Te gevaarlijk, in mijn voorstelling.
Het mini-reuzenrad kon nog net. Maar als ik boven bleef hangen, greep ik de leuning vast, kneep mijn ogen dicht en hoopte dat het snel weer verder zou draaien.
De rups
De rups was mijn attractie.
De eerste keer moest ik veel angst overwinnen. Ik zat dicht tegen de binnenkant aan. Ik weet nog goed dat mijn vingertjes bekneld raakten tussen het mechanisme van de huif.
Toch bleef het mijn favoriet.
De loeiende sirenes wanneer de huif dichtging. Even afgesloten van de wereld. Even alleen. Even rust.
Al was het maar voor een halve minuut.
De vliegtuigjes
Maar de grootste attractie waren de vliegtuigjes.
Geen tien paarden kregen mij daarin.
Maar ik moest.
Mijn vader en mijn zussen pestten me net zo lang tot ik toegaf. Ze zouden de hendel niet naar achter trekken, zodat het vliegtuigje niet omhoog ging — dat beloofden ze.
Dat deden ze ook niet.
Maar het waren angstige minuten. Heel angstige minuten.
Ik was opgelucht toen ik eruit mocht.
Dat ik de hele dag werd gekleineerd en gepest, deerde me niet eens meer. Dat was het normale beeld.
Ik ben daarna nooit meer in die vliegtuigjes gegaan.
Een paar jaar later verongelukte er een jongen in diezelfde attractie. Een arm brak af.
En ergens gaf dat mij het gevoel dat mijn angst niet ongegrond was geweest.
Toch kermis
Toch ben ik elk jaar graag naar de kermis gegaan.
Niet meer in de vliegtuigjes. Maar wel in de rups.