- De brandweer auto
- Lagere School
- The Point
- Het Diploma
- Eerste Liefde
- Nineteen Eighty-Four
- De Sollicitatie
- tab 8
- tab 9
- tab 10
- tab 11
- tab 12
- tab 13
- tab 14
- tab 15
- tab 16
- tab 17
- tab 18
- tab 19
- tab 20
Hoe ik mijn jeugd heb beleefd
Het houdt me nog steeds bezig waarom ik niet zelf eerder achter mijn geboorteafwijking ben gekomen. Het past niet bij mijn karakter om dingen te laten liggen. Als ik iets hoor, wil ik weten hoe het zit.
Toen in 1971 werd vastgesteld dat ik acute reuma had, heb ik alles uitgezocht wat daarover te vinden was. Wat betekent het? Wat zijn de gevolgen? Waar moet ik rekening mee houden?
In 1996 kreeg ik een maagzweer. Ook toen ben ik zelf gaan uitzoeken wat de juiste behandeling was. Uiteindelijk moest ik mijn huisarts wijzen op de juiste kuur. Dat gaf me het gevoel dat ik het probleem zelf moest oplossen.
Die drang om alles te begrijpen zat er al vroeg in.
De amandelen en de brandweerauto
Ik moet ongeveer vier of vijf jaar oud zijn geweest toen mijn amandelen werden geknipt. Ik herinner me twee dingen heel scherp: het zwarte masker met het sterk ruikende gas voor de verdoving — en de brandweerauto die ik na thuiskomst kreeg.
Als ik ziek was, werd ik ineens verwend. Dan werd ik verzorgd en kreeg ik aandacht. Dat waren de zachte momenten. Maar dat stond in schril contrast met andere momenten thuis. Dat dubbele gezicht heb ik als kind nooit begrepen.
Soms wenste ik zelfs dat ik ziek was, omdat ik dan met rust werd gelaten en aandacht kreeg.
De brandweerauto had een opwindmechanisme. Binnen een dag had ik hem uit elkaar gehaald. Niet uit ondankbaarheid, maar uit nieuwsgierigheid. Ik wilde weten hoe hij werkte. Dat verhaal werd jarenlang gebruikt als voorbeeld van hoe “ondankbaar” ik zou zijn geweest.
Maar ik was niet ondankbaar. Ik was onderzoekend.
Ik wilde begrijpen hoe dingen functioneerden. Die eigenschap heb ik altijd als kracht ervaren. Ik ben niet bang voor nieuwe dingen. Ik zie ze als een uitdaging.
Als ik het had geweten…
Als men mij in 1971 had verteld dat ik het Klinefelter-syndroom had, dan had ik dat tot op de bodem uitgezocht. Maar ik wist het niet.
De brief uit mijn militaire dienst waarin het syndroom werd genoemd, is nooit aan mij overhandigd. Mijn moeder opende bovendien vaak mijn post, ook wanneer mijn naam er duidelijk op stond. Ik heb haar meerdere keren gevraagd dat niet te doen. Toch bleef het gebeuren.
Voor mij voelde dat als controle. Alsof alles in handen moest blijven.
Op mijn 34e verliet ik het ouderlijk huis. Volgens mijn zus liet ik mijn ouders “in de steek”. Ik zie het anders. Ik koos voor mijn eigen leven.
Toen ik mijn geboorteafwijking ontdekte, veranderde er opnieuw iets. Voor mijn gevoel werd het niet erkend. Het werd ontkend of geminimaliseerd. Dat doet pijn, zeker als je het zwart op wit kunt aantonen.
Wat mij het meest raakt, is niet dat mensen fouten maken. Het is het uitblijven van erkenning.
Sommigen in mijn familie leven verder zonder het onderwerp werkelijk onder ogen te zien. Ik heb ervoor gekozen dat niet te doen. Ik kan niet leven met een schijnwerkelijkheid.
Ik heb te veel last gehad van het doen alsof alles normaal was.
Het houdt me nog steeds bezig waarom ik niet zelf eerder achter mijn geboorteafwijking ben gekomen. Het past niet bij mijn karakter om dingen te laten liggen. Als ik iets hoor, wil ik weten hoe het zit.
Toen in 1971 werd vastgesteld dat ik acute reuma had, heb ik alles uitgezocht wat daarover te vinden was. Wat betekent het? Wat zijn de gevolgen? Waar moet ik rekening mee houden?
In 1996 kreeg ik een maagzweer. Ook toen ben ik zelf gaan uitzoeken wat de juiste behandeling was. Uiteindelijk moest ik mijn huisarts wijzen op de juiste kuur. Dat gaf me het gevoel dat ik het probleem zelf moest oplossen.
Die drang om alles te begrijpen zat er al vroeg in.
De amandelen en de brandweerauto
Ik moet ongeveer vier of vijf jaar oud zijn geweest toen mijn amandelen werden geknipt. Ik herinner me twee dingen heel scherp: het zwarte masker met het sterk ruikende gas voor de verdoving — en de brandweerauto die ik na thuiskomst kreeg.
Als ik ziek was, werd ik ineens verwend. Dan werd ik verzorgd en kreeg ik aandacht. Dat waren de zachte momenten. Maar dat stond in schril contrast met andere momenten thuis. Dat dubbele gezicht heb ik als kind nooit begrepen.
Soms wenste ik zelfs dat ik ziek was, omdat ik dan met rust werd gelaten en aandacht kreeg.
De brandweerauto had een opwindmechanisme. Binnen een dag had ik hem uit elkaar gehaald. Niet uit ondankbaarheid, maar uit nieuwsgierigheid. Ik wilde weten hoe hij werkte. Dat verhaal werd jarenlang gebruikt als voorbeeld van hoe “ondankbaar” ik zou zijn geweest.
Maar ik was niet ondankbaar. Ik was onderzoekend.
Ik wilde begrijpen hoe dingen functioneerden. Die eigenschap heb ik altijd als kracht ervaren. Ik ben niet bang voor nieuwe dingen. Ik zie ze als een uitdaging.
Als ik het had geweten…
Als men mij in 1971 had verteld dat ik het Klinefelter-syndroom had, dan had ik dat tot op de bodem uitgezocht. Maar ik wist het niet.
De brief uit mijn militaire dienst waarin het syndroom werd genoemd, is nooit aan mij overhandigd. Mijn moeder opende bovendien vaak mijn post, ook wanneer mijn naam er duidelijk op stond. Ik heb haar meerdere keren gevraagd dat niet te doen. Toch bleef het gebeuren.
Voor mij voelde dat als controle. Alsof alles in handen moest blijven.
Op mijn 34e verliet ik het ouderlijk huis. Volgens mijn zus liet ik mijn ouders “in de steek”. Ik zie het anders. Ik koos voor mijn eigen leven.
Toen ik mijn geboorteafwijking ontdekte, veranderde er opnieuw iets. Voor mijn gevoel werd het niet erkend. Het werd ontkend of geminimaliseerd. Dat doet pijn, zeker als je het zwart op wit kunt aantonen.
Wat mij het meest raakt, is niet dat mensen fouten maken. Het is het uitblijven van erkenning.
Sommigen in mijn familie leven verder zonder het onderwerp werkelijk onder ogen te zien. Ik heb ervoor gekozen dat niet te doen. Ik kan niet leven met een schijnwerkelijkheid.
Ik heb te veel last gehad van het doen alsof alles normaal was.
Mijn lagere schooltijd
Mijn eerste schooldag was op 2 september 1957. Ik woonde in Terwinselen, een dorp dat was ontstaan rond de Staatsmijn Wilhelmina. De Maarstraat, waar ik woonde, was gebouwd in 1948 en werd bewoond door mijnwerkersgezinnen. Het was een kinderrijke straat; de naoorlogse babyboom was daar duidelijk zichtbaar.
Om half zes ’s morgens stonden we op. Met zeven kinderen in huis was er weinig ruimte voor traagheid. Na het aankleden gingen we eerst naar de kerk — nuchter, want voor de communie moest je nuchter zijn. Om kwart voor zeven liepen we met mijn vader mee tot het einde van de straat. Hij ging linksaf naar de mijn, wij rechtdoor naar de kerk. Om zeven uur begon de mis, om half acht was die afgelopen. Daarna weer naar huis om te eten, en vervolgens opnieuw bijna dezelfde weg terug naar school.
Op mijn rapport stond bij kerkbezoek altijd “Zeer Goed”.
Het was een streng ritme. Voor een jongen die geboren was met het Klinefelter-syndroom was dat extra zwaar, al wist ik dat toen nog niet. Ik was vaak moe. Achteraf begrijp ik beter waarom.
De eerste klas
In de eerste klas kregen we les van juffrouw Hanen. Zij stond bekend als streng. Ik moest bijna dagelijks nablijven vanwege mijn handschrift. Wat niemand wist, was dat mijn handen trilden — iets wat bij Klinefelter kan voorkomen. Overwerk hielp niet.
Pas na driekwart jaar merkten mijn ouders hoe vermoeid ik werd van dat voortdurende nablijven. Toen hield het op.
In die eerste week kwam er een nieuwe jongen in de klas: Thijs. Naast mij was nog een plek vrij, omdat niemand naast me wilde zitten. Thijs ging naast me zitten. Ik vroeg hem of hij mijn vriend wilde zijn, en dat werd hij. Zes jaar lang bleef hij mijn trouwe kameraad.
Hij werd populair. Ik bleef het jongetje dat als laatste werd gekozen. Pas veel later begreep ik waarom wij elkaar zo goed aanvoelden: dezelfde humor, hetzelfde gevoel voor dingen, allebei uit een groot gezin.
Meesters en juffen
In de tweede klas hadden we juffrouw Meurders, een vervangster. Zij was de enige die mij echt leek aan te voelen. Ze nam me in bescherming en ik hoefde bij haar nooit na te blijven. Helaas bleef ze maar tot kerst.
Daarna kregen we meester Persoon. Hij was populair bij de klas, maar ik viel overdag vaak in slaap. In plaats van te onderzoeken waarom, gaf hij mij de bijnaam “Slaapzoet”. Dat raakte me diep.
Jaren later, bij het organiseren van een reünie, heb ik hem opgezocht. Hij bood zijn excuses aan voor zijn gedrag van toen. Dat vond ik moedig en sportief. Hij wist niet wat er medisch met mij aan de hand was — anders dan mijn familie.
In de vijfde klas kregen we meester Meijs, een rustige man die keek naar wat je kon in plaats van wat je niet kon. Bij hem kwam ik tot rust.
In de zesde klas hadden we Alex Toussaint. Hij stond bekend als streng, maar hij was rechtvaardig en kon prachtig vertellen — over opgravingen, over het Land van Rode, over mammoetkiezen uit de mijn. Hij nam het een keer voor mij op toen hij hoorde wat ik kreeg voor het rondbrengen van reclamefolders voor de winkel van mijn oma. Dat moment vergeet ik nooit.
Thuis en op straat
Thuis stond ik voortdurend onder druk. Ik werkte te langzaam. Als ik niet snel genoeg deed wat er van mij werd verwacht, volgde straf. Soms gingen mijn zussen tussen mijn moeder en mij in staan.
Ik heb vaak gedreigd weg te lopen, maar ik durfde het niet.
Mijn vrijheid vond ik buiten: op het stoepje in de zon, in het korenveld liggend naar de wolken kijkend, voetballend op straat, helpen bij de boer. Buiten was rust. Binnen was spanning.
Als het regende, voelde het alsof ik opgesloten zat.
In de winter maakten we glijbanen op het Bergschke of gingen schaatsen op de Strijthagervijver. Maar als ik te laat thuiskwam, werd ongerustheid niet beloond met opluchting — maar met straf.
Verwachtingen en teleurstelling
Mijn ouders wilden dat ik minstens de MULO zou doen. Ik volgde bijles, maar uiteindelijk ben ik — met een vervalste handtekening van mijn vader — overgestapt naar de ambachtsschool in Heerlen.
Mijn concentratie was beperkt. Dat lag niet aan onwil, maar aan mijn aanleg. Dat besef kwam pas veel later. Inlevingsvermogen ontbrak thuis vaak. Alles moest gaan zoals zij het wilden.
Op de zesde klas vond ook het schoolonderzoek plaats waarvan ik later overtuigd raakte dat daar mijn Klinefelter werd ontdekt. Maar ik kreeg daar nooit uitleg over.
Het plankje uit Monschau
Tijdens het schoolreisje naar Monschau kocht ik een houten plankje met “Grüssen aus Monschau”. Thuis hing een soortgelijk plankje met “Groeten uit Rockanje”. Ik dacht dat mijn moeder dit mooi zou vinden.
Het tegendeel gebeurde. Er volgde kritiek: of ik mijn geld niet beter kon besteden.
Wat ik ook deed, het leek nooit goed genoeg.

Foto beneden van Links naar rechts
Meester Meijs, Meester Mulders, Meester Toussaint ook hoofd der school, Meester Sijben, Juffrouw Haenen, Juffrouw Meurders.
Foto is van december 1958 of januari 1959

Mijn eerste schooldag was op 2 september 1957. Ik woonde in Terwinselen, een dorp dat was ontstaan rond de Staatsmijn Wilhelmina. De Maarstraat, waar ik woonde, was gebouwd in 1948 en werd bewoond door mijnwerkersgezinnen. Het was een kinderrijke straat; de naoorlogse babyboom was daar duidelijk zichtbaar.
Om half zes ’s morgens stonden we op. Met zeven kinderen in huis was er weinig ruimte voor traagheid. Na het aankleden gingen we eerst naar de kerk — nuchter, want voor de communie moest je nuchter zijn. Om kwart voor zeven liepen we met mijn vader mee tot het einde van de straat. Hij ging linksaf naar de mijn, wij rechtdoor naar de kerk. Om zeven uur begon de mis, om half acht was die afgelopen. Daarna weer naar huis om te eten, en vervolgens opnieuw bijna dezelfde weg terug naar school.
Op mijn rapport stond bij kerkbezoek altijd “Zeer Goed”.
Het was een streng ritme. Voor een jongen die geboren was met het Klinefelter-syndroom was dat extra zwaar, al wist ik dat toen nog niet. Ik was vaak moe. Achteraf begrijp ik beter waarom.
De eerste klas
In de eerste klas kregen we les van juffrouw Hanen. Zij stond bekend als streng. Ik moest bijna dagelijks nablijven vanwege mijn handschrift. Wat niemand wist, was dat mijn handen trilden — iets wat bij Klinefelter kan voorkomen. Overwerk hielp niet.
Pas na driekwart jaar merkten mijn ouders hoe vermoeid ik werd van dat voortdurende nablijven. Toen hield het op.
In die eerste week kwam er een nieuwe jongen in de klas: Thijs. Naast mij was nog een plek vrij, omdat niemand naast me wilde zitten. Thijs ging naast me zitten. Ik vroeg hem of hij mijn vriend wilde zijn, en dat werd hij. Zes jaar lang bleef hij mijn trouwe kameraad.
Hij werd populair. Ik bleef het jongetje dat als laatste werd gekozen. Pas veel later begreep ik waarom wij elkaar zo goed aanvoelden: dezelfde humor, hetzelfde gevoel voor dingen, allebei uit een groot gezin.
Meesters en juffen
In de tweede klas hadden we juffrouw Meurders, een vervangster. Zij was de enige die mij echt leek aan te voelen. Ze nam me in bescherming en ik hoefde bij haar nooit na te blijven. Helaas bleef ze maar tot kerst.
Daarna kregen we meester Persoon. Hij was populair bij de klas, maar ik viel overdag vaak in slaap. In plaats van te onderzoeken waarom, gaf hij mij de bijnaam “Slaapzoet”. Dat raakte me diep.
Jaren later, bij het organiseren van een reünie, heb ik hem opgezocht. Hij bood zijn excuses aan voor zijn gedrag van toen. Dat vond ik moedig en sportief. Hij wist niet wat er medisch met mij aan de hand was — anders dan mijn familie.
In de vijfde klas kregen we meester Meijs, een rustige man die keek naar wat je kon in plaats van wat je niet kon. Bij hem kwam ik tot rust.
In de zesde klas hadden we Alex Toussaint. Hij stond bekend als streng, maar hij was rechtvaardig en kon prachtig vertellen — over opgravingen, over het Land van Rode, over mammoetkiezen uit de mijn. Hij nam het een keer voor mij op toen hij hoorde wat ik kreeg voor het rondbrengen van reclamefolders voor de winkel van mijn oma. Dat moment vergeet ik nooit.
Thuis en op straat
Thuis stond ik voortdurend onder druk. Ik werkte te langzaam. Als ik niet snel genoeg deed wat er van mij werd verwacht, volgde straf. Soms gingen mijn zussen tussen mijn moeder en mij in staan.
Ik heb vaak gedreigd weg te lopen, maar ik durfde het niet.
Mijn vrijheid vond ik buiten: op het stoepje in de zon, in het korenveld liggend naar de wolken kijkend, voetballend op straat, helpen bij de boer. Buiten was rust. Binnen was spanning.
Als het regende, voelde het alsof ik opgesloten zat.
In de winter maakten we glijbanen op het Bergschke of gingen schaatsen op de Strijthagervijver. Maar als ik te laat thuiskwam, werd ongerustheid niet beloond met opluchting — maar met straf.
Verwachtingen en teleurstelling
Mijn ouders wilden dat ik minstens de MULO zou doen. Ik volgde bijles, maar uiteindelijk ben ik — met een vervalste handtekening van mijn vader — overgestapt naar de ambachtsschool in Heerlen.
Mijn concentratie was beperkt. Dat lag niet aan onwil, maar aan mijn aanleg. Dat besef kwam pas veel later. Inlevingsvermogen ontbrak thuis vaak. Alles moest gaan zoals zij het wilden.
Op de zesde klas vond ook het schoolonderzoek plaats waarvan ik later overtuigd raakte dat daar mijn Klinefelter werd ontdekt. Maar ik kreeg daar nooit uitleg over.
Het plankje uit Monschau
Tijdens het schoolreisje naar Monschau kocht ik een houten plankje met “Grüssen aus Monschau”. Thuis hing een soortgelijk plankje met “Groeten uit Rockanje”. Ik dacht dat mijn moeder dit mooi zou vinden.
Het tegendeel gebeurde. Er volgde kritiek: of ik mijn geld niet beter kon besteden.
Wat ik ook deed, het leek nooit goed genoeg.

Foto beneden van Links naar rechts
Meester Meijs, Meester Mulders, Meester Toussaint ook hoofd der school, Meester Sijben, Juffrouw Haenen, Juffrouw Meurders.
Foto is van december 1958 of januari 1959


Vanaf het eerste moment dat ik de film zag, voelde ik me ermee verbonden. De gesproken tekst, de liedjes, het verhaal — het raakte iets in mij dat ik toen nog niet volledig kon benoemen.
Ik wilde die plaat hebben. Maar in Limburg was hij nergens te koop. Ook elders in het land bleek hij moeilijk verkrijgbaar. Tot ik op een dag — volgens mij in Rotterdam — langs een klein, onopvallend platenzaakje liep. In de etalage lag hij. Zonder twijfel ben ik naar binnen gegaan en heb hem gekocht. En ik heb hem nog steeds.
Het verhaal van Oblio
The Point gaat over Oblio, een jongetje dat anders is. Hij leeft in een land waar iedereen een punthoofd heeft. Hij is de enige zonder punt.
In dat land spelen ze een balspel waarbij het punthoofd handig van pas komt. Omdat Oblio geen punt heeft, helpt zijn hondje Arrow hem door de ballen voor hem te vangen.
Op een dag wordt hij aangeklaagd door het jaloerse zoontje van de rechter. Mensen zonder punt horen niet thuis in een land van mensen met een punthoofd. De rechter verbant hem naar het “Pointless Forest” — het puntloze donkere bos.
In dat bos ontmoet hij de Rock Man, die zegt:

Die zin is de kern van het verhaal.
Oblio ontdekt in het bos dat niets werkelijk puntloos is. Bomen hebben punten, bladeren hebben punten, zelfs stenen hebben punten. Uiteindelijk keert hij terug naar zijn land en laat zien dat alles — en iedereen — een punt heeft.
En aan het einde… krijgt ook hij een punt. Of beter gezegd: men ziet hem eindelijk zoals hij is.
Wat dit met mij te maken heeft
Wat heeft dit met mij te maken?
Alles.
Toen ik begin jaren zeventig die film zag, voelde ik me al een buitenstaander. Ik woonde nog thuis, maar voelde me er niet bij horen. Dat gevoel zat al diep in mijn jeugd.
Net als Oblio werd ik anders gevonden.
Later, toen ik daadwerkelijk werd verstoten — bewust of onbewust — voelde dat als verbanning naar het donkere bos. Maar in dat bos ontmoette ik mensen die óók anders waren. En vooral: mensen die mens waren.
En het beviel me daar eigenlijk best.
Je ziet wat je wilt zien
Tijdens de documentaire werden sommige familieleden geconfronteerd met mijn verhalen. Mijn website werd “smaad” genoemd. Maar men had zich niet verdiept in het Klinefelter-syndroom.
Hoe kun je oordelen over iemands verhaal als je de achtergrond niet kent?
Je ziet wat je wilt zien. Je hoort wat je wilt horen.
Als je de moeilijkheden van iemand met Klinefelter niet wilt zien, dan zie je ze niet. Dan is het gemakkelijker om de boodschapper aan te vallen dan de inhoud onder ogen te zien.
Er werd gedreigd met juridische stappen. Maar geen van mijn verhalen werd inhoudelijk weerlegd. Niet omdat men dat niet wilde — maar omdat ze waar zijn.
Net als bij Oblio.
Me and my Arrow
Er is nog iets.
Oblio had zijn hond Arrow. Ik had mijn hond Benji.
Wij waren onafscheidelijk. Waar ik ging, ging hij ook. “Me and my Arrow.”
Soms lijkt het bijna alsof die plaat mijn leven al beschreef voordat ik het zelf begreep.
Misschien komt ook het laatste deel van het verhaal ooit nog uit: de terugkeer. de erkenning. de acceptatie.
Zoals Oblio uiteindelijk niet meer werd verbannen, maar werd gezien.
Je ziet wat je wilt zien in een ander perspectief
Wanneer mensen mij, nadat ik duidelijk heb aangegeven wie ik ben, toch blijven aanspreken met “meneer”, dan voelt dat niet als een verspreking.
Dan voelt het alsof men weigert te zien wie er voor hen staat.
Dat raakt aan iets fundamenteels. Identiteit is geen mening. Het is geen discussiepunt. Het is wie je bent.
In Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet staat dat discriminatie op welke grond dan ook niet is toegestaan. Dat betekent dat iedereen recht heeft op gelijke behandeling, ongeacht geslacht of genderidentiteit.
Wanneer iemand structureel wordt aangesproken in strijd met diens vastgestelde identiteit, dan gaat dat verder dan onbegrip. Dan wordt iemand niet erkend in wie hij of zij is.
Mensen zien vaak wat ze wíllen zien. Ze horen wat ze wíllen horen.
Als je alleen gelooft in een wereld van strikt man of vrouw, dan past alles wat daarbuiten valt niet in je plaatje. Maar dat betekent niet dat het niet bestaat.
Er is meer dan alleen zwart en wit. Meer dan alleen man en vrouw.
En wie dat niet wil begrijpen, kan het misschien niet zien — maar dat maakt het nog geen waarheid.
Dit sluit mooi aan bij je verwijzing naar The Point. Oblio had geen punt. Daarom werd hij niet gezien als volwaardig. Totdat iemand bereid was anders te kijken.
Erkenning is geen gunst. Het is een recht. 💜
Het Diploma
Ik heb in mijn leven verschillende opleidingen gevolgd. Ik behaalde diploma’s als machinebankwerker, leerling-automonteur en uiteindelijk het monteursdiploma.
Na dat laatste diploma besloot ik samen met een klasgenoot verder te studeren. Overdag werkten we als automonteur, ’s avonds studeerden we. We begonnen aan de opleiding N1 — leraar Wis- en Natuurkunde, derde graad bevoegd. Een opleiding op HBO-niveau.
Mijn motivatie was helder: ik wilde respect. Binnen het gezin telde je pas mee als je had gestudeerd. Mijn broer en zussen deden dat. Zij kregen erkenning. Ik was “het automonteurtje”.
Als ik iets zei, werd dat vaak afgedaan met een opmerking als: “Daar komt hij weer met zijn domme garagepraat.”
Ik wilde bewijzen dat ik meer was dan dat.
Onderbreking en ontdekking
In 1970 begon ik aan de studie. Eerst moest ik via de OBAO (Onderwijs Bewijs Algemene Ontwikkeling) van LTS-niveau naar MBO-niveau doorstromen. Dat traject duurde twee jaar.
In maart van het eerste jaar werd ik opgeroepen voor militaire dienst. In die periode werd het Klinefelter-syndroom(opnieuw) vastgesteld. Zelf wist ik daar niets van.
Van de twaalf weken die ik diende, lag ik er acht in het ziekenhuis. Daar kreeg ik ook te horen dat ik geen kinderen zou kunnen verwekken. Dat was een harde klap.
Om dat te verwerken, stortte ik mij volledig op mijn studie.
Ik had vóór mijn diensttijd al geregeld dat ik — als ik eerder zou terugkeren — meteen in het tweede jaar mocht instromen. Dat bleek vooruitziend. Ik kwam eerder uit dienst en kon direct doorgaan.
Ik haalde de OBAO, samen met nog zes anderen van de oorspronkelijke 26 studenten. Daarna volgden twee jaar voorbereidende lerarenopleiding en nog drie jaar lerarenopleiding.
Zeven jaar studeren en tegelijk fulltime werken in een garage.
Op 14 juni 1977 kreeg ik mijn diploma.
De uitreiking
De diploma-uitreiking vond plaats in de schouwburg in Heerlen. Familieleden waren uitgenodigd. Bij bijna iedereen was wel iemand aanwezig — ouders, partner, broers, zussen.
Bij mij was niemand.
Geen vader. Geen moeder. Geen broer. Geen zus.
Vijf kilometer reizen was blijkbaar te ver.
Terwijl ik altijd aanwezig was geweest bij hun diploma-uitreikingen — HBS, Atheneum, Universiteit — in Kerkrade, Heerlen, Groningen, Tilburg, Nijmegen. Afstanden speelden toen geen rol.
Die avond had ik gehoopt op erkenning. Op trots. Op een moment waarop ik eindelijk mee zou tellen.
Dat moment kwam niet.
Later heb ik me vaak afgevraagd waarom. Was er schaamte? En zo ja, waarvoor? Toen kende ik het antwoord nog niet.
Toch niet alleen
’s Avonds ben ik met mijn studievrienden op stap gegaan. Zij waren er wel. Adje, Hub, Frans en mijnheer Vaessen — mijn wiskundedocent.
Van hen kreeg ik het respect dat ik thuis zo gemist had.
De avond werd toch nog mooi.
Mijnheer Vaessen zou later opnieuw een rol spelen in mijn leven. Dat verhaal staat onder het hoofdstuk “De Sollicitatie.”
Ik heb in mijn leven verschillende opleidingen gevolgd. Ik behaalde diploma’s als machinebankwerker, leerling-automonteur en uiteindelijk het monteursdiploma.
Na dat laatste diploma besloot ik samen met een klasgenoot verder te studeren. Overdag werkten we als automonteur, ’s avonds studeerden we. We begonnen aan de opleiding N1 — leraar Wis- en Natuurkunde, derde graad bevoegd. Een opleiding op HBO-niveau.
Mijn motivatie was helder: ik wilde respect. Binnen het gezin telde je pas mee als je had gestudeerd. Mijn broer en zussen deden dat. Zij kregen erkenning. Ik was “het automonteurtje”.
Als ik iets zei, werd dat vaak afgedaan met een opmerking als: “Daar komt hij weer met zijn domme garagepraat.”
Ik wilde bewijzen dat ik meer was dan dat.
Onderbreking en ontdekking
In 1970 begon ik aan de studie. Eerst moest ik via de OBAO (Onderwijs Bewijs Algemene Ontwikkeling) van LTS-niveau naar MBO-niveau doorstromen. Dat traject duurde twee jaar.
In maart van het eerste jaar werd ik opgeroepen voor militaire dienst. In die periode werd het Klinefelter-syndroom(opnieuw) vastgesteld. Zelf wist ik daar niets van.
Van de twaalf weken die ik diende, lag ik er acht in het ziekenhuis. Daar kreeg ik ook te horen dat ik geen kinderen zou kunnen verwekken. Dat was een harde klap.
Om dat te verwerken, stortte ik mij volledig op mijn studie.
Ik had vóór mijn diensttijd al geregeld dat ik — als ik eerder zou terugkeren — meteen in het tweede jaar mocht instromen. Dat bleek vooruitziend. Ik kwam eerder uit dienst en kon direct doorgaan.
Ik haalde de OBAO, samen met nog zes anderen van de oorspronkelijke 26 studenten. Daarna volgden twee jaar voorbereidende lerarenopleiding en nog drie jaar lerarenopleiding.
Zeven jaar studeren en tegelijk fulltime werken in een garage.
Op 14 juni 1977 kreeg ik mijn diploma.
De uitreiking
De diploma-uitreiking vond plaats in de schouwburg in Heerlen. Familieleden waren uitgenodigd. Bij bijna iedereen was wel iemand aanwezig — ouders, partner, broers, zussen.
Bij mij was niemand.
Geen vader. Geen moeder. Geen broer. Geen zus.
Vijf kilometer reizen was blijkbaar te ver.
Terwijl ik altijd aanwezig was geweest bij hun diploma-uitreikingen — HBS, Atheneum, Universiteit — in Kerkrade, Heerlen, Groningen, Tilburg, Nijmegen. Afstanden speelden toen geen rol.
Die avond had ik gehoopt op erkenning. Op trots. Op een moment waarop ik eindelijk mee zou tellen.
Dat moment kwam niet.
Later heb ik me vaak afgevraagd waarom. Was er schaamte? En zo ja, waarvoor? Toen kende ik het antwoord nog niet.
Toch niet alleen
’s Avonds ben ik met mijn studievrienden op stap gegaan. Zij waren er wel. Adje, Hub, Frans en mijnheer Vaessen — mijn wiskundedocent.
Van hen kreeg ik het respect dat ik thuis zo gemist had.
De avond werd toch nog mooi.
Mijnheer Vaessen zou later opnieuw een rol spelen in mijn leven. Dat verhaal staat onder het hoofdstuk “De Sollicitatie.”
Mijn Eerste Liefde
Ik zal een jaar of 21 geweest zijn toen ik voor het eerst echt, diep verliefd werd.
Liefde zelf heeft niets te maken met het wel of niet hebben van testosteron. Maar het jagen, het veroveren, het vasthouden — dat misschien wel.
De vrouw op wie ik verliefd werd, was een vriendin van een van mijn zussen. Ze kwam regelmatig bij ons thuis. We kenden elkaar goed. Er was vertrouwen.
In het voorjaar van 1973 reed ik ieder weekend van Terwinselen naar Zuid-Luxemburg, waar zij met haar ouders op een camping verbleef. Het was de tijd dat Belgische boeren de wegen blokkeerden. Eén keer heb ik zes uur in de file gestaan om bij haar te komen.
Dat deed je niet zomaar. Dat deed je uit liefde.
De bekentenis
Toen de relatie wat serieuzer werd, begon er iets aan me te knagen. Ik wist inmiddels dat ik onvruchtbaar was — iets wat tijdens mijn militaire dienst aan het licht was gekomen, in verband met het Klinefelter-syndroom.
Hoe vertel je zoiets?
Op een dag, daar in Luxemburg, verzamelde ik al mijn moed en vertelde het haar. Dat ik geen kinderen kon verwekken. Dat dit bij mij hoorde.
Haar reactie was warm. Begripvol. Ze zei dat, als ze ooit kinderen zou willen, daar ook andere manieren voor waren.
Ik had niet op zoveel begrip gerekend.
Dat weekend reed ik gelukkig naar huis.
De brief
Een week later kreeg ik een brief. Via mijn zus bezorgd.
Ze maakte het uit.
Zonder duidelijke reden. Zonder gesprek.
Voor mij was het onbegrijpelijk. Wat wij hadden besproken, hoe ze gereageerd had — het klopte niet met de inhoud van die brief.
De wereld stortte even in.
Ik kreeg sterk het gevoel dat iemand zich ermee bemoeid had. Dat er achter mijn rug om gesproken was. Bewijzen had ik niet. Alleen een gevoel dat iets niet zuiver was.
Maar ik heb het er niet meer uitgehaald.
Misschien kwam daar opnieuw het Klinefelter om de hoek kijken. Het gebrek aan testosteron. Het ontbreken van die jager, die vechter, die zegt: “Hier laat ik het niet bij zitten.”
Ik liet het gaan.
Het was niet de laatste keer dat mij zoiets overkwam. Maar het duurde elf jaar voordat ik weer de moed vond om opnieuw verliefd te worden.
Dat verhaal komt later.
Ik zal een jaar of 21 geweest zijn toen ik voor het eerst echt, diep verliefd werd.
Liefde zelf heeft niets te maken met het wel of niet hebben van testosteron. Maar het jagen, het veroveren, het vasthouden — dat misschien wel.
De vrouw op wie ik verliefd werd, was een vriendin van een van mijn zussen. Ze kwam regelmatig bij ons thuis. We kenden elkaar goed. Er was vertrouwen.
In het voorjaar van 1973 reed ik ieder weekend van Terwinselen naar Zuid-Luxemburg, waar zij met haar ouders op een camping verbleef. Het was de tijd dat Belgische boeren de wegen blokkeerden. Eén keer heb ik zes uur in de file gestaan om bij haar te komen.
Dat deed je niet zomaar. Dat deed je uit liefde.
De bekentenis
Toen de relatie wat serieuzer werd, begon er iets aan me te knagen. Ik wist inmiddels dat ik onvruchtbaar was — iets wat tijdens mijn militaire dienst aan het licht was gekomen, in verband met het Klinefelter-syndroom.
Hoe vertel je zoiets?
Op een dag, daar in Luxemburg, verzamelde ik al mijn moed en vertelde het haar. Dat ik geen kinderen kon verwekken. Dat dit bij mij hoorde.
Haar reactie was warm. Begripvol. Ze zei dat, als ze ooit kinderen zou willen, daar ook andere manieren voor waren.
Ik had niet op zoveel begrip gerekend.
Dat weekend reed ik gelukkig naar huis.
De brief
Een week later kreeg ik een brief. Via mijn zus bezorgd.
Ze maakte het uit.
Zonder duidelijke reden. Zonder gesprek.
Voor mij was het onbegrijpelijk. Wat wij hadden besproken, hoe ze gereageerd had — het klopte niet met de inhoud van die brief.
De wereld stortte even in.
Ik kreeg sterk het gevoel dat iemand zich ermee bemoeid had. Dat er achter mijn rug om gesproken was. Bewijzen had ik niet. Alleen een gevoel dat iets niet zuiver was.
Maar ik heb het er niet meer uitgehaald.
Misschien kwam daar opnieuw het Klinefelter om de hoek kijken. Het gebrek aan testosteron. Het ontbreken van die jager, die vechter, die zegt: “Hier laat ik het niet bij zitten.”
Ik liet het gaan.
Het was niet de laatste keer dat mij zoiets overkwam. Maar het duurde elf jaar voordat ik weer de moed vond om opnieuw verliefd te worden.
Dat verhaal komt later.
Nineteen Eighty-Four
In 1983 raakte ik overspannen op het Bernardinus College, waar ik tijdelijk werkte als amanuensis biologie. In 1982 was ik daar begonnen met een halve aanstelling, wegens ziektevervanging. Dat ging goed. Later werd het een volledige baan — en dat bleek te veel.
Achteraf zie ik dat ook dit samenhing met het Klinefelter-syndroom. In een halve baan functioneerde ik prima. Een hele baan putte mij uit. Had ik toen geweten wat er werkelijk aan de hand was, dan had ik mijn grenzen anders begrepen.
Wanneer je overspannen bent, probeer je een toekomstbeeld te maken. Je klampt je vast aan een jaar, een moment waarop alles beter zal worden.
Voor mij werd dat jaar: Nineteen Eighty-Four. Was daar niet ook een boek over?
Het zat zo sterk in mijn hoofd geprent dat 1984 mijn jaar zou worden, dat ik er bijna religieus in geloofde.
En vreemd genoeg: het gebeurde ook.
Volwassen worden
In 1984 gebeurde er op meerdere fronten iets fundamenteels. Ik zie het zelf als het jaar waarin ik volwassen werd.
Ik was toen 32 jaar. Laat? Niet als je weet wat Klinefelter met je ontwikkeling doet. Een Klinefelter loopt vaak emotioneel en lichamelijk achter en ziet er dikwijls jonger uit dan zijn leeftijd. Dan klopt volwassen worden op je 32e ineens wél.
AG
In het voorjaar ontmoette ik haar.
Eén blik was genoeg. Liefde op het eerste gezicht bestaat. Ik heb het meegemaakt. Het is alsof je even boven de grond zweeft.
Ik noem haar AG.
Ze was twee jaar jonger dan ik. 1.74 meter, van Franse afkomst. Vrouwelijk, warm, aanwezig. Precies zoals ik mij een vrouw altijd had voorgesteld.
Een vriend zei ooit tegen mij: “Vincent, ik weet niet hoe je het doet, maar je hebt toch een paar bloedmooie vriendinnen.”
Ik wist niet wat hij bedoelde. Thuis had ik altijd gehoord dat ik niet knap was. Dat blijft hangen. Maar blijkbaar zagen sommige vrouwen iets anders.
Misschien voelde ik vrouwen beter aan. Misschien omdat ik zelf minder ‘mannelijk’ was dan de doorsnee man. Misschien omdat ik zachter was. Ik weet het niet. Maar het werkte.
Pasen
Met Pasen nam ik haar mee naar mijn ouderlijk huis.
Niet speciaal voor ons — het was gewoon Pasen, dan kwam iedereen thuis. Maar het verschil was voelbaar.
Wanneer mijn zussen een vriend meenamen, of mijn broer een vriendin, dan haalde mijn moeder alles uit de kast. Er werd gekookt, gebakken, gevierd.
Nu niet.
Er was niets voorbereid. Geen warmte. Geen welkom. AG werd aangekeken, niet ontvangen.
Na een uur wilde ze weg.
Ik begreep het toen niet volledig. Nu denk ik dat men wist van mijn Klinefelter. Misschien was men bang voor wat een vaste relatie zou betekenen. Misschien schaamde men zich. Misschien zagen ze mij niet als volwaardig.
Wat de reden ook was — het was kil.
Wat niet gebeurde
We hebben nooit seks gehad.
Dat lag deels aan haar, maar vooral aan mij. Zij wachtte om veroverd te worden. Ik wachtte ook.
Een tekort aan testosteron betekent vaak ook een tekort aan libido en zelfvertrouwen. Dat weet ik nu. Toen niet.
Ik gebruik nu Androgel, een testosteronsuppletie. Soms vraag ik me af hoe mijn leven eruit had gezien als ik dat toen al had gehad. Misschien was ik drie keer gescheiden geweest. Misschien twintig jaar gelukkig getrouwd.
Wie zal het zeggen.
Het einde
Op 7 januari 1986 maakte zij het uit.
Toch kijk ik met warmte terug op die twee jaren. We hebben veel gelachen. Veel gepraat. Veel gedeeld.
Zij gaf mij de moed om uit huis te gaan. Door haar begon mijn echte leven.
Ze zal altijd een plek in mijn hart houden.
1986 zou geen gemakkelijk jaar worden. Maar in 1984 werd ik volwassen.
In 1983 raakte ik overspannen op het Bernardinus College, waar ik tijdelijk werkte als amanuensis biologie. In 1982 was ik daar begonnen met een halve aanstelling, wegens ziektevervanging. Dat ging goed. Later werd het een volledige baan — en dat bleek te veel.
Achteraf zie ik dat ook dit samenhing met het Klinefelter-syndroom. In een halve baan functioneerde ik prima. Een hele baan putte mij uit. Had ik toen geweten wat er werkelijk aan de hand was, dan had ik mijn grenzen anders begrepen.
Wanneer je overspannen bent, probeer je een toekomstbeeld te maken. Je klampt je vast aan een jaar, een moment waarop alles beter zal worden.
Voor mij werd dat jaar: Nineteen Eighty-Four. Was daar niet ook een boek over?
Het zat zo sterk in mijn hoofd geprent dat 1984 mijn jaar zou worden, dat ik er bijna religieus in geloofde.
En vreemd genoeg: het gebeurde ook.
Volwassen worden
In 1984 gebeurde er op meerdere fronten iets fundamenteels. Ik zie het zelf als het jaar waarin ik volwassen werd.
Ik was toen 32 jaar. Laat? Niet als je weet wat Klinefelter met je ontwikkeling doet. Een Klinefelter loopt vaak emotioneel en lichamelijk achter en ziet er dikwijls jonger uit dan zijn leeftijd. Dan klopt volwassen worden op je 32e ineens wél.
AG
In het voorjaar ontmoette ik haar.
Eén blik was genoeg. Liefde op het eerste gezicht bestaat. Ik heb het meegemaakt. Het is alsof je even boven de grond zweeft.
Ik noem haar AG.
Ze was twee jaar jonger dan ik. 1.74 meter, van Franse afkomst. Vrouwelijk, warm, aanwezig. Precies zoals ik mij een vrouw altijd had voorgesteld.
Een vriend zei ooit tegen mij: “Vincent, ik weet niet hoe je het doet, maar je hebt toch een paar bloedmooie vriendinnen.”
Ik wist niet wat hij bedoelde. Thuis had ik altijd gehoord dat ik niet knap was. Dat blijft hangen. Maar blijkbaar zagen sommige vrouwen iets anders.
Misschien voelde ik vrouwen beter aan. Misschien omdat ik zelf minder ‘mannelijk’ was dan de doorsnee man. Misschien omdat ik zachter was. Ik weet het niet. Maar het werkte.
Pasen
Met Pasen nam ik haar mee naar mijn ouderlijk huis.
Niet speciaal voor ons — het was gewoon Pasen, dan kwam iedereen thuis. Maar het verschil was voelbaar.
Wanneer mijn zussen een vriend meenamen, of mijn broer een vriendin, dan haalde mijn moeder alles uit de kast. Er werd gekookt, gebakken, gevierd.
Nu niet.
Er was niets voorbereid. Geen warmte. Geen welkom. AG werd aangekeken, niet ontvangen.
Na een uur wilde ze weg.
Ik begreep het toen niet volledig. Nu denk ik dat men wist van mijn Klinefelter. Misschien was men bang voor wat een vaste relatie zou betekenen. Misschien schaamde men zich. Misschien zagen ze mij niet als volwaardig.
Wat de reden ook was — het was kil.
Wat niet gebeurde
We hebben nooit seks gehad.
Dat lag deels aan haar, maar vooral aan mij. Zij wachtte om veroverd te worden. Ik wachtte ook.
Een tekort aan testosteron betekent vaak ook een tekort aan libido en zelfvertrouwen. Dat weet ik nu. Toen niet.
Ik gebruik nu Androgel, een testosteronsuppletie. Soms vraag ik me af hoe mijn leven eruit had gezien als ik dat toen al had gehad. Misschien was ik drie keer gescheiden geweest. Misschien twintig jaar gelukkig getrouwd.
Wie zal het zeggen.
Het einde
Op 7 januari 1986 maakte zij het uit.
Toch kijk ik met warmte terug op die twee jaren. We hebben veel gelachen. Veel gepraat. Veel gedeeld.
Zij gaf mij de moed om uit huis te gaan. Door haar begon mijn echte leven.
Ze zal altijd een plek in mijn hart houden.
1986 zou geen gemakkelijk jaar worden. Maar in 1984 werd ik volwassen.
De Sollicitatie
Onlangs kwam ik mijn tweede zus tegen. Zoals altijd deed ze alsof ze me niet zag. Sommige mensen worden blijkbaar nooit volwassen.
Dat moment bracht me terug naar 1976.
In dat jaar werd ik ontslagen bij het garagebedrijf waar ik werkte, omdat mijn baas ermee stopte. Ik was op dat moment bezig met mijn opleiding tot leraar wis- en natuurkunde. Dat bleek een nadeel. Werkgevers wilden me niet aannemen, omdat ze ervan uitgingen dat ik toch weer zou vertrekken zodra ik mijn diploma had.
Ik viel tussen wal en schip.
Eigenlijk vond ik het in het begin niet eens zo erg om werkloos te zijn. Ik kon me volledig op mijn studie richten. In 1977 moest ik examen doen.
Thuis
Om de eerste maanden te overbruggen, heb ik thuis alle kozijnen geschuurd en opnieuw gebeitst — binnen en buiten. Sinds 1924 waren er laag over laag verf aangebracht. Het was een enorm karwei. Drie maanden werk.
Of het gewaardeerd werd? Ik heb er nooit een compliment voor gekregen. Geen bedankje. Geen kleine attentie. Niets.
125 sollicitaties
Na mijn afstuderen begon het echte solliciteren.
In drie maanden tijd verstuurde ik 125 sollicitatiebrieven. Ik kreeg vijf uitnodigingen. Tachtig afwijzingen. Van de rest hoorde ik niets meer.
In 1980 kreeg ik eindelijk een kans: amanuensis Natuur- en Scheikunde op de MAVO De Lichtenberg in Landgraaf. Een fantastische tijd. Ik was in mijn element.
Maar het was een tijdelijke WVG-maatregel — bedoeld om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen. Na negen maanden stopte het. Er werd nog geprobeerd om verlenging te krijgen, maar dat lukte niet.
Ik kreeg wel een getuigschrift mee. Als ik dat nu nog lees, krijg ik rode oortjes. Dat getuigschrift bezorgde me een jaar later werk op het Bernardinuscollege in Heerlen.
De referentie
In de tussentijd bleef ik solliciteren.
Er kwam een vacature voor amanuensis op het St. MaartenCollege in Maastricht. Daar werkte mijn zus als docent wiskunde.
In Limburg werkt het vaak zo: zonder kruiwagen kom je er niet. Referenties zijn belangrijk. Mijn zus zou een ideale referentie zijn geweest.
Ik vroeg het haar.
Ze weigerde.
Op mijn vraag waarom kreeg ik geen antwoord.
Ik belde toen mijn oud-docent wiskunde, mijnheer Vaessen. “Maar natuurlijk Vincent, met alle plezier,” zei hij.
Dat gebeurde vaker: vreemden wilden me helpen. Oud-docenten, collega’s, vrienden.
Mijn eigen familie niet.
Nu begrijp ik beter waarom. Maar toen niet.
Ze dachten misschien dat ze me klein hielden. Maar ze hadden het mis.
Onlangs kwam ik mijn tweede zus tegen. Zoals altijd deed ze alsof ze me niet zag. Sommige mensen worden blijkbaar nooit volwassen.
Dat moment bracht me terug naar 1976.
In dat jaar werd ik ontslagen bij het garagebedrijf waar ik werkte, omdat mijn baas ermee stopte. Ik was op dat moment bezig met mijn opleiding tot leraar wis- en natuurkunde. Dat bleek een nadeel. Werkgevers wilden me niet aannemen, omdat ze ervan uitgingen dat ik toch weer zou vertrekken zodra ik mijn diploma had.
Ik viel tussen wal en schip.
Eigenlijk vond ik het in het begin niet eens zo erg om werkloos te zijn. Ik kon me volledig op mijn studie richten. In 1977 moest ik examen doen.
Thuis
Om de eerste maanden te overbruggen, heb ik thuis alle kozijnen geschuurd en opnieuw gebeitst — binnen en buiten. Sinds 1924 waren er laag over laag verf aangebracht. Het was een enorm karwei. Drie maanden werk.
Of het gewaardeerd werd? Ik heb er nooit een compliment voor gekregen. Geen bedankje. Geen kleine attentie. Niets.
125 sollicitaties
Na mijn afstuderen begon het echte solliciteren.
In drie maanden tijd verstuurde ik 125 sollicitatiebrieven. Ik kreeg vijf uitnodigingen. Tachtig afwijzingen. Van de rest hoorde ik niets meer.
In 1980 kreeg ik eindelijk een kans: amanuensis Natuur- en Scheikunde op de MAVO De Lichtenberg in Landgraaf. Een fantastische tijd. Ik was in mijn element.
Maar het was een tijdelijke WVG-maatregel — bedoeld om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen. Na negen maanden stopte het. Er werd nog geprobeerd om verlenging te krijgen, maar dat lukte niet.
Ik kreeg wel een getuigschrift mee. Als ik dat nu nog lees, krijg ik rode oortjes. Dat getuigschrift bezorgde me een jaar later werk op het Bernardinuscollege in Heerlen.
De referentie
In de tussentijd bleef ik solliciteren.
Er kwam een vacature voor amanuensis op het St. MaartenCollege in Maastricht. Daar werkte mijn zus als docent wiskunde.
In Limburg werkt het vaak zo: zonder kruiwagen kom je er niet. Referenties zijn belangrijk. Mijn zus zou een ideale referentie zijn geweest.
Ik vroeg het haar.
Ze weigerde.
Op mijn vraag waarom kreeg ik geen antwoord.
Ik belde toen mijn oud-docent wiskunde, mijnheer Vaessen. “Maar natuurlijk Vincent, met alle plezier,” zei hij.
Dat gebeurde vaker: vreemden wilden me helpen. Oud-docenten, collega’s, vrienden.
Mijn eigen familie niet.
Nu begrijp ik beter waarom. Maar toen niet.
Ze dachten misschien dat ze me klein hielden. Maar ze hadden het mis.